Category Archives: Uncategorized

What Oxfam cancellations tell us about donor motivation

What can we learn from the drop in donations to Oxfam after the child abuse news broke? In the UK, about 7,000 donors cancelled, in the Netherlands 1,700, and in Hong Kong 715.

First, the drop does not tell us much about what makes people give. Most donors have continued to give. The 7,000 who cancelled in the UK represent 3.5% of income in the UK. The 1,700 donors who cancelled in the Netherlands are 0.5% of all donors. This means that defaults save lives. The default is to do nothing and continue to give. We’re seeing a small fraction go.

But for those discontinuing their gifts protest, we could say that we can tell why they were giving in the first place by looking at their reactions.

If they gave to Oxfam for altruistic reasons, they will find other charities to give to. They may find it hard to trust Oxfam now, and other charities named in the media.

There is the ‘one bad apple spoils the entire basket’ idea that donors will find faults with other charities as well once one gets bad publicity.

We’ll have to see how much that idea is worth. In previous episodes in the Netherlands, bad publicity about one charity usually did not spill over to other charities. In the Netherlands and Hong Kong it seems altogether more puzzling why donors stopped giving, as the abuse – as far as we know – did not involve the Netherlands or Hong Kong branch.

In my view the cancellations are a result of empathic anger. The more you care about children, the more angry you will be. While empathy has been heralded as an important factor in altruism, it also has a non-altruistic side. The emotion of anger itself and the cancellation may be viewed and communicated as a sign of caring. But it is not effective helping.

There is also a role for public relations. It may be that the abuse corrected an image that charity workers are holy superhumans. A charity that ‘paints itself as whiter than white’ reinforces that image. In times of PR crises like these such an image boomerangs donors away. If donors reckon with the possibility that a charity may attract bad apples as workers, they realize that one bad apple is not evidence of a disease, but of lax quality control.

1 Comment

Filed under Uncategorized

Wat is normaal?

Geeft de gemiddelde Nederlander echt 559 euro per jaar aan goede doelen, zoals Arnon Grunberg gisteren schreef op de voorpagina van de Volkskrant?

Nee, dat is onwaarschijnlijk. Grunberg verwees naar een cijfer dat werd genoemd in het HUMAN televisieprogramma ‘Hoe normaal ben jij?’

Het cijfer klopt niet om twee redenen.

1. Het bedrag is veel hoger dan uit ander onderzoek naar filantropie naar voren komt. Het cijfer van Human komt uit een onderzoek dat waarschijnlijk niet representatief is voor alle Nederlanders. Human geeft geen informatie over de peiling die gehouden is, maar het is waarschijnlijk dat het een zogenaamde gelegenheidsgroep is: op de site kan iedereen deelnemen. Degenen die dat doen zijn bijna nooit representatief voor de Nederlandse bevolking.

Het standaard onderzoek naar filantropie, Geven in Nederland (GIN), voert de Vrije Universiteit Amsterdam uit sinds 1995. Het geeft een navolgbaar representatief beeld. Gemiddeld geven huishoudens 341 euro, zo blijkt uit de laatste editie van het GIN onderzoek uit 2017.

2. Het cijfer gaat over een gemiddelde, en dat is niet normaal. Als je het rekenkundig gemiddelde berekent over alle Nederlandse huishoudens, dan zie je niet goed wat de typische Nederlander geeft. De helft van de Nederlandse huishoudens geeft namelijk minder dan 60 euro, blijkt uit GIN. Het gemiddelde wordt sterk beïnvloed door een klein aantal huishoudens dat heel veel geeft. De grafiek kun je gebruiken om te zien hoe normaal je bent: geef je tussen de €150-€200 per jaar, dan hoor je in het derde kwartiel, de groep van ongeveer een kwart van de bevolking die meer geeft dan helft van de Nederlanders. Het kwart meest gevende Nederlanders geeft vaak meer dan €1.000.

GIN17_kwartielen

Leave a comment

Filed under Center for Philanthropic Studies, household giving, survey research, Uncategorized

Gevonden: Student assistent voor het onderzoek Geven in Nederland

De werkgroep Filantropische Studies van de Faculteit Sociale Wetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam is het expertisecentrum op het gebied van onderzoek naar filantropie in Nederland. De werkgroep houdt zich bezig met vragen zoals: Waarom geven mensen vrijwillig geld aan goede doelen? Waarom verrichten mensen vrijwilligerswerk? Hoeveel geld gaat er om in de filantropische sector? Voor het onderzoek Geven in Nederland heeft de werkgroep Suzanne Felix aangenomen als onderzoeksassistent.

 

Werkzaamheden

Geven in Nederland is een van de belangrijkste onderzoeksprojecten van de werkgroep. Sinds 1995 wordt het geefgedrag van huishoudens, individuen, fondsen, bedrijven en goededoelenloterijen elke twee jaar in kaart gebracht en samengevoegd tot een macro-economisch overzicht. De werkgroep Filantropische Studies brengt de resultaten van het onderzoek tweejaarlijks uit in het boek ‘Geven in Nederland’. Felix werkt mee aan het onderzoek naar nalatenschappen en giften door vermogensfondsen en huishoudens.
update: 3 september 2016

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Brief guide to understand fMRI studies

RQ: Which regions of the brain are active when task X is performed?

Results: Activity in some regions Y is higher than in others.

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Heeft de culturele sector de cultuuromslag naar ondernemerschap gemaakt?

Presentatie rapport Culturele instellingen in Nederland’

Werkgroep Filantropische Studies Vrije Universiteit Amsterdam

 

Vrijdag 10 juni 2016, Theater Griffioen, Uilenstede 106, 1183 AM, Amstelveen

 

In 2012 werd de Geefwet ingevoerd met een multiplier die de aftrekbaarheid van giften aan culturele instellingen verhoogde. Bovendien kregen culturele instellingen meer mogelijkheden eigen inkomsten te genereren uit commerciële activiteiten. Tegelijk kregen veel instellingen te maken met bezuinigingen en de vraag om meer ondernemerschap. Hoe hebben Nederlandse particulieren en bedrijven met een hart voor cultuur gereageerd op de verhoogde aftrekbaarheid van giften aan cultuur? Zijn zij ook inderdaad meer gaan geven? En hoe hebben de culturele instellingen gereageerd op de bezuinigingen enerzijds en de multiplier anderzijds? Wat voor instellingen hebben de omslag naar ondernemerschap wel kunnen maken en wat voor instellingen niet?

Deze vragen stonden centraal in een onderzoek dat de werkgroep Filantropische Studies heeft uitgevoerd op verzoek van het ministerie van OCW naar de effecten van de Geefwet op het genereren van inkomsten door culturele instellingen. Het onderzoek verschaft inzicht in de stand van zaken van de culturele sector op dit gebied en de mate waarin de Geefwet bijdraagt aan de versterking van de culturele sector door stimulering van giften aan cultuur.

U bent van harte welkom op een symposium waarop de onderzoekers de resultaten presenteren aan de culturele sector. U kunt zich hier aanmelden.

 


Programma

15.30    Aanmelden

16.00    Presentatie onderzoek door prof. dr. René Bekkers

16.30    Annabelle Birnie, Drents Museum

16.45    Marielle Hendriks, Boekmanstichting

17.00    Drankje

 

 

Locatie

Theater Griffioen, Uilenstede 106, 1183 AM, Amstelveen

Routebeschrijving – klik hier

 

 

Meer informatie

Meer informatie over het onderzoek vindt u op www.cultuursector.nl

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Conditional Review Acceptance Policy (R1)

“Thank you for your invitation to review. Did the authors provide the data and the code they have used to produce the paper? Will the paper be published in open access mode? If twice yes, I will consider reviewing the paper.”

This is my new automatic reply to requests for review journal articles that I receive from editors and their assistants. In june 2014, I introduced a conditional review acceptance policy (CRAP). The policy was to review only those articles that the journal agrees to publish in a Free Open Access mode – making the article publicly available, without charging any fees for it from universities, authors, or readers. The revised policy now also includes the question whether the data and code will be publicly available, as proposed by the Peer Reviewers’ Openness (PRO) initiative. The revision rewards open science.

pro_lock

 

1 Comment

Filed under Uncategorized

The Future of Foundation Support for Research and Innovation

Recently the EUFORI Study was published, in which a network of experts coordinated from our Center for Philanthropic Studies at the Vrije Universiteit Amsterdam mapped the support from foundations for research and innovation in Europe. Read the synthesis report here. The research was based on an extensive survey of 1 591 foundations supporting R&I in Europe and a qualitative analysis of 29 different country reports. We concluded that foundations contribute a significant amount of money to R&I: annually at least €5 billion, out of an asset base worth at least €127 billion. These are lower bound estimations, because it was impossible to estimate contributions by foundations that did not participate in the study.

The final chapter of the synthesis report presents six recommendations. The main objective of the recommendations made in this final chapter is to increase the potential of R&I foundations in Europe. Considering the underlying potential, actions towards greater support by foundations for research and innovation should and must involve engaging all actors: national governments, EU institutions, the foundations themselves, the corporate sector, universities and other research institutes, and the public at large.

Recommendation 1: Increase the visibility of R&I foundations

This recommendation is addressed to foundations, national governments, the EC and EU administration, businesses and the public at large. It relates to the current fragmented landscape of R&I foundations in Europe. The landscape of foundations in Europe is characterised by a few well-established foundations and many smaller foundations with modest resources mainly operating in the background. Growing visibility will enhance the impact of existing funding. If foundations become more aware of each other’s activities, the effects and impact of their contributions can be increased. Moreover, the other stakeholders involved such as the business community and research policy-makers will become knowledgeable about the foundations’ activities. From the perspective of the beneficiaries, research institutes, universities and researchers will more easily find their way to foundations. Visibility will lower the transaction costs for all the parties involved. For foundations, governments and businesses it will increase their knowledge about ongoing research/new research funded and vice versa. For grantmaking foundations it will facilitate the review process of research proposals and submissions; it is to be expected that more visibility will reduce the amount of incorrect applications. For the beneficiaries of the foundations’ support (research institutes, universities and researchers) – the grantseekers – it will increase their funding opportunities, they will more easily find their way to foundations, and it will facilitate submission processes. For potential (major) donors it will offer visible causes to benefit. Increasing the visibility of R&I foundations could have a positive effect on potential (major) donors as it could encourage them to support a research foundation. Increasing the visibility of and information about R&I foundations was already addressed by an expert group in 2005. They argued: ‘.. foundations and their donors would be more aware of the foundation landscape (increasing collaborative working and, possibly, giving), foundations’ contribution to various sectors could be properly assessed and the information could inform policy-making in this area. It is in fact a prerequisite to other actions’. The present EUFORI study is a step forward. A lot of information is now available. Next to this synthesis report, 29 country-reports, new data, an active network of researchers and the EUFORI website can contribute to the profiling of the R&I foundation sector in Europe.

With the exception of some large and well-established foundations in Europe, there is a lack of a common research identity among the foundations supporting R&I in most countries. Research and innovation are often not seen as a purpose/field in itself but are instead used as an instrument for other purposes and areas in which foundations specialise (such as health, technology, society). This is reflected by a lack of dialogue between the foundations supporting R&I (occasionally between foundations that deal with similar topics, e.g. foundations supporting cancer research). Bringing foundations together at a European level and following the recommendations of the expert group from 2005, the European Foundation Center (EFC) created the European Forum of Research Foundations. This forum provides a platform for a group of large and well-known R&I foundations in Europe. In order to increase the visibility of foundations supporting R&I at a national level, the encouragement of the creation of national forums of research foundations is recommended as the next step. The opportunities and mutual benefits for foundations supporting R&I at a national level should be explored. The next step: Explore the opportunities and mutual benefits of the creation of national forums of research foundations.

Recommendation 2: Explore synergies through collaboration

Unity in diversity is one of the main challenges for all the players involved in the R&I domain. These players can be distinguished in the domain of research (governments, business, foundations and research institutes/researchers), each with their own distinctive role. Together these groups can make a difference in increasing the potential for R&I. They can create synergy through collaboration, which should be interpreted in the broadest sense, varying from information sharing, networking, co-funding and partnerships. Mutual advantages can be derived from pooling expertise, sharing infrastructure, expanding activities, pooling money due to a lack of necessary funds, avoiding the duplication of efforts and creating economies of scale.

Get to know each other, meet and see where to reinforce each other’s efforts

Based on the conclusions of the EUFORI Study there is an indication for the need for improved dialogue, information exchange, networking and cooperation between the foundations supporting R&I, as well as between foundations, governments, business and research institutes (researchers). The needs, opportunities, mutual benefits and barriers for collaboration should be further explored, including mutual responsibilities when cooperating. The creation of national forums or networks of foundations supporting research and innovation, regular meetings between the foundations and other stakeholders involved (national government, EU government, research institutes and business) could bring these groups together.

An EU-wide study is recommended on the needs, opportunities, mutual benefits and barriers for collaboration between foundations, national governments, the European Commission, the business sector and research institutes. A network of national experts (mostly members from ERNOP) built for the EUFORI study can be of added value for this study and can facilitate the collaborative relations between the EC/ RTD, the R&I foundation sector and other stakeholders in Europe. It would be well-advised to set up an independent expert group before the start of this study with selected experts and stakeholder representatives in the field of foundations, the business sector, research institutes and public authorities at a national and European level. The expert group should provide input for the design of the study and could adopt an advisory role. Subsequently, it is recommended that the study will be finished by a follow-up conference for all the players involved aimed to discuss the implementation of the outcomes of the Collaboration Infrastructure Study. In this call for collaboration we have to consider two possible, interrelated pitfalls; namely the danger of ‘substitution’ and the danger of threatening the independence of foundations. Foundations, and civil initiatives in general, make their own choices and preferences and are based on social democracy. Governments, on the other hand, have their own responsibility based on political democracy. Businesses have their own market-driven values. Sometimes they reinforce each other, sometimes they may act as opponents. It concerns different worlds, differing in terms of constitution, values, legitimacy and organisation style. The independence of private R&I foundations should be respected. Foundations derive their legitimacy from many contacts with the ‘capillaries’ in society, thus offering them the opportunity to function ‘as the eyes and ears’ for innovation. This grass-roots connection represents the philanthropic tradition in Europe: ‘voluntary action to serve the public good’. The next step: Launch a Collaboration Infrastructure Study.

Continue reading the recommendations from the EUFORI study here.

 

 

 

Leave a comment

Filed under Uncategorized

De veerkracht van de filantropie

[*]

Deze tekst als pdf downloaden

Burgerkracht, lokale actie, de doe-democratie, de participatiesamenleving: we komen deze termen steeds vaker tegen in de politiek, de media en beleidsstukken van de overheid en adviesorganen. De termen fungeren in een fundamenteel debat over de verdeling van verantwoordelijkheid van burgers en de overheid voor het welzijn van anderen en de samenleving. Het uitgangspunt van deze stukken is de autonome, zelfredzame burger, die geen overheidsregeling nodig heeft om voor zichzelf, de eigen omgeving en de samenleving te zorgen.

Bij dit uitgangspunt past de filantropie, gedefinieerd als vrijwillige bijdragen van geld en tijd aan het algemeen nuttige doelen zoals gezondheid, cultuur, onderwijs, natuur en levensbeschouwing. Die bijdragen komen niet alleen van levende burgers, maar ook van overledenen (via nalatenschappen), van bedrijven, vermogensfondsen, en van goededoelenloterijen. In 2013 ging er in de filantropie in totaal zo’n €4,4 miljard om. In 2011 spraken het kabinet en de sector filantropie af intensiever samen te werken aan de kwaliteit van de samenleving. Door het activerende beleid doet de overheid een groter beroep op vrijwillige bijdragen in de vorm van geld en tijd en neemt de maatschappelijke betekenis van filantropie toe.

In theorie biedt voorziening van maatschappelijke doelen en collectieve arrangementen uit vrijwilligheid een voordeel boven verplichting via belasting of een andere vrijheidsbeperking. Via vrijwillige bijdragen krijgen burgers meer controle over de kwaliteit van de samenleving en kunnen ze daar ook met recht trots op zijn. Burgers dragen liever vrijwillig bij aan maatschappelijke doelen dan via een verplichte belasting of via verplichte maatschappelijke dienstverlening.

De voorkeur voor vrijwillige bijdragen is niet alleen psychologisch in de vorm van een ‘goed gevoel’. Een experiment van Harbaugh, Mayr en Burghart (2007) maakte deze voorkeur zichtbaar door middel van hersenscans van Amerikaanse vrouwen die een grotere activiteit in het ‘genotscentrum’ in de hersenen vertoonden als zij een bedrag aan een goed doel gaven dan wanneer hetzelfde bedrag namens hen door de experimentleiders werd gegeven. Er kan ook voor burgers een materieel voordeel zitten aan vrijwillige bijdragen in de vorm van vrijwilligerswerk. Er is veel onderzoek dat laat zien dat vrijwilligers gelukkiger zijn, grotere sociale netwerken hebben, langer gezond blijven en uiteindelijk langer leven dan maatschappelijk minder betrokken burgers.

Filantropie verhoogt de kwaliteit van leven omdat zij zich richt op de aanpak van maatschappelijke problemen en de realisatie van maatschappelijke idealen. Het besef groeit dat effectieve oplossingen een goede samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers vereisen. Een eenzijdige aanpak van bovenaf door een nationale overheid ligt steeds minder voor de hand. Bijdragen van burgers en bedrijven, in de vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, vrijwilligerswerk, crowdfunding en actieve burgerparticipatie zijn welkom op uiteenlopende gebieden als integratie, cultuur, zorg, veiligheid, natuurbehoud en duurzaamheid.

De aandacht voor filantropie van de overheid is een herontdekking van een rijk verleden. Een mooi historisch voorbeeld is de manier waarop volgens de Amerikaanse journalist Russell Shorto (2005) de bouw van de Walstraat in Nieuw Amsterdam werd gefinancierd. Op Wall Street in New York, waar nu het centrum van het kapitalisme is gevestigd, stond ooit een muur die de inwoners van de stad tegen de indianen, de Engelsen en de Zweden moest beschermen. Omdat er geen overheid was die belasting kon heffen werd de bouw van de wal gefinancierd met vrijwillige bijdragen van de burgers van Nieuw Amsterdam, waarbij van de meer vermogende inwoners een grotere bijdrage werd verwacht. Zij hadden ook meer te verliezen bij een inval. Latere voorbeelden, dichterbij huis, zijn het Vondelpark, de Vrije Universiteit en de grote musea in Amsterdam: voor een groot deel gefinancierd met schenkingen van vermogende particulieren.

Met het beroep op burgers keert de overheid terug naar deze tijden. De omstandigheden zijn in sommige opzichten gelijkaardig. Opnieuw is er grote welvaart in Nederland, die opnieuw zeer ongelijk verdeeld is. Er zijn echter ook grote verschillen. De vraag om vrijwillige bijdragen komt in een tijd waarin burgers gewend zijn aan een overheid die voor hen zorgt. Bovendien komt de vraag in een tijd van economische onzekerheid en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Het beroep op vrijwillige bijdragen vraagt veerkracht van burgers. De Rockefeller Foundation (2015) definieert veerkracht als de capaciteit van mensen, gemeenschappen en instituties om zich voor te bereiden op schokken en langdurige belasting, zich daar tegen te verzetten en ervan te herstellen. Veerkracht komt niet alleen tot uiting in zelfredzaamheid, maar ook in het mobiliseren van hulp en het aanboren van nieuwe hulpbronnen. Het gevoel van gemeenschap, het besef dat je met elkaar meer kunt bereiken dan alleen, en het vertrouwen in anderen helpen daar bij. Deze factoren zijn ook cruciaal voor de filantropie.

De sector filantropie is in Nederland in de afgelopen decennia niet gegroeid vanuit tegenslag en bedreiging. Integendeel. In de jaren ’90 hadden we geen last van crisis en groeide de sector als kool, nog veel harder dan de economie. De sector organiseerde en professionaliseerde zich. Er kwamen brancheverenigingen, gedragscodes, keurmerken, toezichthouders, er kwamen opleidingen en er kwam onderzoek dat de sector filantropie in kaart bracht. Die gehele ontwikkeling vond plaats in het laatste decennium van de jaren ’90 zonder dat er grote problemen waren. De filantropie is groot geworden in een tijd van voorspoed, zonder veel bemoeienis en grotendeels buiten het blikveld van de overheid. Vanuit de betrokkenheid van Nederlanders. Niet zozeer om maatschappelijke problemen op te lossen, maar ook – en misschien wel vooral – om idealen te verwezenlijken. Filantropie is de uiting bij uitstek van de veerkracht van de samenleving. Uit de filantropie van een samenleving blijkt waar burgers om geven, wat zij goede doelen vinden en hoeveel zij ervoor over hebben.

De economische crisis waarin Nederland in 2009 terecht is gekomen heeft een beroep gedaan op de veerkracht van burgers. Het zijn niet zozeer de korte termijn fluctuaties in de hoogte van inkomens, de werkloosheid of het consumentenvertrouwen die samenhangen met de lange termijn trend in het geefgedrag. Het gaat eerder om de economische zekerheid op de lange termijn: de waarde van giften van geld aan goede doelen houdt sinds 1965 gelijke tred met de ontwikkeling van de vermogens van Nederlanders. Sinds 1985 volgt de ontwikkeling in de hoogte van de giften in Nederland vrijwel exact de ontwikkeling in de hoogte van de waarde van onroerend goed.

consumptie_filantropie_onroerendgoed_08_13

Consumptieve bestedingen van huishoudens (nationaal) en totaal vermogen van huishoudens in de vorm van onroerend goed volgens het CBS en de waarde van filantropie door huishoudens volgens Geven in Nederland (niet gecorrigeerd voor inflatie)

De filantropie in Nederland lijkt minder gevoelig te zijn voor economische tegenwind dan die van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar de inkomsten voor goededoelenorganisaties flink daalden in 2008 en 2009 en daarna nauwelijks stegen. Pas in 2012 zagen de goededoelenorganisaties in de VS hun inkomsten weer toenemen. In Nederland bleef het recessie-effect uit tot 2011. Bovendien was het effect beperkt. We zien nu in 2013 weer een stijging van de giften. Dit is opmerkelijk omdat de waarde van onroerend goed in 2013 nog daalde. Ook de betrokkenheid van bedrijven bij goede doelen blijft hoog, ondanks de crisis. Het totaalbedrag aan giften en sponsoring is vrijwel gelijk gebleven.

Ook het overheidsbeleid van de afgelopen jaren heeft voor terugslag gezorgd. De overheid heeft taken gedecentraliseerd naar gemeenten, waardoor een groter beroep wordt gedaan op burgers om voor henzelf en hun naasten te zorgen. In de nieuwe cijfers over vrijwilligerswerk zien we een achteruitgang. In 2010 deed nog 41% vrijwilligerswerk, in 2014 is dat gedaald naar 37%. Ook het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn is gedaald, naar 18 uur per maand. In 2012 was dit nog 21 uur. We zien wel veerkracht onder de loyale groep vrijwilligers, die juist actiever is geworden. Er is echter een grens aan de inzet van de trouwe vrijwilliger. Het toenemende belang dat de overheid in de participatiesamenleving aan mantelzorg en informele hulp hecht vormt op termijn een bedreiging voor het vrijwilligerswerk. We zien in het Geven in Nederland onderzoek dat informele hulp, mantelzorg en vrijwilligerswerk communicerende vaten zijn. Het hemd is dan nader dan de rok. Mensen stoppen vaker met vrijwilligerswerk als ze mantelzorgtaken erbij krijgen.

De overheid heeft bezuinigd op subsidies voor specifieke goededoelenorganisaties. Met name in de cultuursector hebben instellingen lastige keuzes moeten maken. Door de bezuinigingen op culturele instellingen is een beroep gedaan op de veerkracht in de sector cultuur. We zien hier grote verschillen tussen instellingen. De grotere musea van ons land zijn met behoud van subsidie in staat geweest om ook nog meer geld uit de markt te halen. Voor veel andere instellingen staan de inkomsten door bezuinigingen onder druk en zij lijken nog niet goed in staat meer inkomsten uit fondsenwerving en commerciële inkomsten te halen. Helaas blijkt ook bij de gevers de veerkracht beperkt te zijn. Vooralsnog zijn de bezuinigingen op culturele instellingen veel groter dan de toename in de giften aan culturele instellingen. Vermogende gevers zijn niet van plan meer te gaan geven aan cultuur.

De komende jaren zal duidelijk worden of vrijwillige bijdragen voldoende zijn om de schokken op te vangen die de economische crisis en de bezuinigingen door de overheid hebben veroorzaakt.  Zijn we als samenleving in staat deze betrokkenheid te mobiliseren? De aantrekkingskracht van het werk van goededoelenorganisaties is daarbij niet voldoende. Vermogende particulieren verlangen een meer zakelijke manier van werken dan gebruikelijk is bij veel goede doelen en hebben behoefte aan nieuwe financiële instrumenten die zakelijke investeringen in de kwaliteit van de samenleving mogelijk maken. Denk daarbij aan crowdfunding, social impact bonds, en ‘venture philanthropy’. De lage rentestand maken deze alternatieve vormen van investeren aantrekkelijker. In de geest van het convenant uit 2011 zou de sector filantropie in overleg met de overheid en het bedrijfsleven deze instrumenten verder moeten ontwikkelen.

Literatuur

Bekkers, R., Schuyt, T.N.M. & Gouwenberg, B.M. (2015, Red). Geven in Nederland 2015: Giften, Nalatenschappen, Sponsoring en Vrijwilligerswerk. Amsterdam: Reed Business.

Harbaugh, W.T. , Mayr , U., & Burghart, D.R. (2007). Neural responses to taxation and voluntary giving reveal motives for charitable donations. Science, 316: 1622-1625.

Rockefeller Foundation (2015). Resilience. https://www.rockefellerfoundation.org/our-work/topics/resilience/

Shorto, R. (2005). The Island At the Center of the World. New York: Random House/Vintage.

[*] Deze bijdrage is deels gebaseerd op gegevens uit Geven in Nederland 2015 (Bekkers, Schuyt & Gouwenberg, 2015).

1 Comment

Filed under altruism, Center for Philanthropic Studies, charitable organizations, economics, foundations, household giving, Netherlands, philanthropy, taxes, Uncategorized, volunteering

Clara gives more than Maria – nonprofit research makes fundraisers clever (6/2014)

Butterfly Blog

This article first appeared on the website of the Fundraiser Magazin.

Two twin sisters, Clara and Maria, are raised together at the same place, go to the same school, remain both in the same neighborhood. Yet, Clara is donating five times as much as Maria. Why is that? It’s probably because Clara is attending church service almost every week, whereas Maria, by contrast, makes a big circle around Lord’s house.

Rene Bekkers, researcher at the Institute “Philanthropy Studies” at the Vrije University of Amsterdam was able to show in the first twin study of donor research: Each church service, that one twin is attending more often than her sibling, correlates with 20 Euro higher amount of annual donation. Nice, but do we need to know?

Clara and Maria differ in another respect: Maria attended a college, Clara applied for a job right after school. Although Maria is now earning…

View original post 349 more words

1 Comment

Filed under Uncategorized

The Autobiography of A Problem: How I Got to Study Prosocial Behavior

Diving deep into my archives I recovered an old file in which I describe how I got to study prosocial behavior. The file is dated 21 February 2000. I reproduce it below – and here’s a pdf.

The Autobiography of A Problem

In an otherwise useless book, Deutscher (1973) employed the distinction between the logic of a problem as portrayed in scientific publications and the autobiographical ‘logic’ of its discovery and treatment. The distinction is familiar to any social scientist. The way we present our results is seldom the same as the path we followed to reach them. Following current conventions in social science, I wrote the articles in my dissertation as a series of questions, that seemed worthy of giving attention given the state of the knowledge available in the literature. I tried to make progress where substantial gaps were obvious and my capacities allowed me to. But how did I get to my account of ‘the current state of knowledge’? It is the autobiography of my research problems that I want to report now.

Prior Education
Looking back on the development of my PhD-project, I can see a continuous line of development since the beginning of my education as a sociologist. I studied sociology at Nijmegen University, The Netherlands. Although the Institute was officially of Catholic signature, its ecclesiastical undertones were hardly visible to me. The kind of sociology I was taught was mainly empirical macro-sociology. Questions on stratification and mobility, racial attitudes, voting, homogeneity of marriages inspired most of the research going on at the time. The catholic origins of the Institute were only visible in repeated, cross-sectional surveys measuring values, attitudes and their behavioral correlates such as voting and religious denomination. In line with my interest in philosophical questions on scientific methods, religious beliefs and even metaphysics, I wrote a master thesis on the beliefs of clients of a ‘New Age’-center – which was quite a new phenomenon at the time (Bekkers, 1997).

A Different World

After my graduation I found a PhD-position at the Interuniversity Center for Social Science Theory and Methodology (ICS), Utrecht University. The project consisted of half a page of ideas on the sociology of consumption (ICS, 1997), and was supervised by Harry Ganzeboom, a former teacher from my first year of sociology in Nijmegen, and Nan Dirk de Graaf, who had been a lecturer in Nijmegen all along. In essence, the aim was to identify a new pattern of consumption, associated with a post-materialist value orientation (Inglehart, 1977). The project had some connections with my master thesis, because ‘New Age’-clients were high in post-materialism. But this was not the direction that I followed. As I entered the ICS, I discovered that the research school, of which my sociology-teachers were a part, was based on a combination of rational choice theory and Popperian methodology. I knew Popper’s philosophy of science and was very sympathetic to it, but with rational choice theory I was rather unfamiliar. At the ICS I learned the principles of rational choice theory. My first serious meeting with it was unsettling, because I thought that cynical assumptions on human nature were central to its explanatory power. Although I didn’t like the assumption of material self-interest, I tried to work with it. But I also came to see its shortcomings. According to a simple version of rational choice theory, rational actors in social dilemmas should not contribute to public goods. Because I saw the consumption of ‘environment-friendly’ products as a part of the post-materialist lifestyle, I tried to explain this phenomenon with reference to self-interest only. At first, this was an intellectual problem. Many rational choice-theorists I read apparently saw it as a challenge to explain away ‘seemingly’ altruistic acts as the ultimate result of self-interest. But many experiments show that people do cooperate, even in ‘one shot’-dilemmas, which are specifically structured to induce ‘rational’, selfish behavior. How could this be possible? Then the question caught me: why do people do things that are no good for themselves anyway?

After I had got acquainted with the ‘participation paradox’ in theory, I discovered more and more examples of unselfish behavior in real life. There were even much stronger examples in real life than in the world of experimental gaming: donation of money to charity, donation of bodily organs, donation of blood, and so on. These examples made my questions on the participation paradox even more urgent. From personal experience I got the suspicion that there had to be important individual differences in altruism. Maybe the steady percentage of people that keep on playing ‘cooperation’ in these games is a group of ‘hard core altruists’.

From ‘Cooperation’ to ‘Prosocial Behavior’

At this point, the project took a decisive turn. The central idea of the project shifted from the identification of a post-materialist lifestyle to the explanation of ‘altruistic’ behaviors such as buying environmentally friendly products. It was one of my supervisors, Harry Ganzeboom, who suggested that I take a look into social psychology. He remembered the term ‘prosocial behavior’ as precisely the category of behaviors that I was interested in. A blind search in the library formed the basis of all the work I did from that point onwards. As a kind of naïve mountaineer I started reading the literature. I didn’t know that so much work had already been done, and I was also unfamiliar with social psychology altogether. I did not only read substantive papers, but also dived into methodological issues such as the debate on consistency from the seventies.

I made some important discoveries that were surprising for a sociologist with an interest in questions on philosophy of science. I discovered that there are large differences in method and theory between social psychological studies, game theoretical approaches and sociological treatments of the subject. The substantive papers gave me an enormous list of independent variables to consider in an explanatory model, including personality characteristics. To many sociologists, personality is non-existent, or – at best – not relevant (read: not interesting). In the meantime, I sharpened my dependent variable, because I discovered that the term ‘prosocial behavior’ was too broad to deal with in unity. I discovered that I was interested in understanding how prosocial behavior in the absence of clearly material interests for the beneficiary him/herself came about. I selected dependent variables where situational factors cannot fully explain prosocial behavior, because they lack the altruistic motive: to make the other better off. When situational factors cannot do the job, we have to look on the person-side. I concluded that there must be something in the heads of people playing these prisoner’s dilemma games that makes them cooperate, even when the situation is specifically designed to make them defect. From the social psychological literature I learned that there were indeed important individual differences in game behavior. As an explanation, the obvious candidate in personality was some individual difference in altruism. The rational choice perspective I had become familiar with, made me think of altruism as having a preference for outcomes of other players. At first it was the Margolis (1982)-model that fit into this picture. Reading his book, however, I wondered how people decide (or: how it is determined) whether they value outcomes for others. The concept of social orientations that I met in the work of Liebrand and Van Lange appealed very much to me, because this model was more clear and simple.

However, sociologists are not very fond of introducing individual differences out of the blue. My supervisors kept asking me why these ‘social orientations’ were so important. I had no real answer at that time, but I came back to the question later on. In the meantime, I had become acquainted with the concept of empathy through the experimental work of Daniel Batson (1991). I didn’t like his general question (“Does real altruism exist?”) and I also didn’t like his situational interpretation of empathy. But the concept of empathy in itself stroke me as an important clarification of the simple idea of altruism inherent in social orientations. Empathy seemed to be an interpretation of why people care for others. Looking for an individual difference measure of empathy, which I found in the work of Mark Davis (1994), I also came across a series of articles by Nancy Eisenberg (Eisenberg, 1982; Eisenberg & Miller, 1987; Eisenberg et al., 1989; Eisenberg & Fabes, 1994). As a developmental psychologist, she had also been active in the field of socialization and parenting. This research opened up a new perspective on the old question of my supervisors why social orientations were so important. I reasoned that parenting styles are not randomly distributed among the population, which implies that conventional sociological variables such as education, income, and social status had to be of importance for individual differences in prosocial dispositions. It was also probably through her work that I discovered that a strong debate had been going on in social psychology in the late 1970s and early 1980s between supporters of dispositional and situational explanations of social behavior: the ‘consistency controversy’. Here I found another enormous amount of material, that needed delimitation in order not to get lost. I felt that the ‘interactionist’ perspective that emerged from the consistency debate could be an important candidate to integrate the different perspectives of social psychology, sociology, and rational choice theory.

Selling the Project: What’s New?

The next step was the formulation of a research problem that contained new elements. While I was getting to know the literature, I had mainly been interested in what had been discovered previously, and not so much in what had not been dealt with. Repeating what others have done before you creates clarity and order, but is not very useful to get your PhD-project funded. I had to come up with some strong points on which I could improve upon the existing body of research. I identified conceptual problems: prosocial behavior is often considered to be one single category of behavior, while this is not the case. I saw some awareness of this problem glimmering between the lines, but not a full realization of it. That’s why I took a fresh look at the literature that I had been dealing with for so long, with a new question in mind: how can I distinguish between different kinds of prosocial behavior to understand why so many variables are connected with it, and why they have different kinds effects in different studies? I divided the unified category of prosocial behavior in different dimensions, and used insights from the consistency debate to understand differential effects of person-and situation-variables. Et voila: research question 1 & 2.

My third research question emerged from an imaginary discussion I held between a sociologist and a social psychologist. The sociologist asks: ‘Why are individual differences important? They may add some explained variance to your regression model, but they do not alter the effects of other independent variables.’ The social psychologist started talking about interaction-effects, but was interrupted by the sociologist with the argument that inclusion of interaction-effects does not necessarily change the magnitude of main effects. Then a pair of new discussion partners entered the arena: the classical sociologist, and the developmental psychologist. The former asked the rational choice theorist: ‘Do you really think that individual differences in altruism are normally distributed among the population?’ The developmental psychologist added: ‘Of course not. Since we took over socialization research from sociology, we have discovered much of the origins of prosocial dispositions.’ The classical sociologist corrected this view: ‘But you neglected many of the truly sociological variables…’ This imaginary discussion was the beginning of my third research question, which I developed more and more later on.

Of course, there was the occasional disappointment during my exploration that others had already published my ‘revolutionary’ ideas years before I came to think of them and wrote them down. An example is the idea to divide prosocial behavior into theoretically meaningful categories of behavior, in order to predict differential personality effects on helping. I put the idea in my NWO-proposal (submitted in may 1998), but found it back in January, 2000, in Staub’s extensive volume (1978, vol. 1, p. 122-123) when ploughing through the pile of literature that was simply too much when writing the proposal.

Another example was the vignette-part of the study. When tracing the literature on person-situation-interactions in January, 1999, I recognized the idea to test interaction-effects with hypothetical scenarios that I put in the NWO-proposal in may 1998 in Carlo et al. (1991). And they were already late, since I found out in January 2000 that the very same idea is presented in the discussion of a taxonomy of helping situations in Pearce & Amato (1982, p. 75).

References

Batson, C. Daniel (1991). The Altruism Question: Toward a Social-Psychological Answer. Hillsdale, NJ: Lawrence Erlsbaum Associates.

Bekkers, René (1997). New Age in sociologisch perspectief. Nijmegen: Undergraduate thesis.

Carlo, Gustavo, Eisenberg, Nancy, Troyer, Debra, Switzer, Galen, & Speer, Anna L. (1991). The Altruistic Personality: In What Contexts Is It Apparent? Journal of Personality and Social Psychology, 61: 450-458.

Davis,  Mark H. (1994). Empathy: A Social Psychological Approach. Madison, WI: Brown & Benchmark.

Deutscher, Irwin (1973). What we say/what we do: sentiments & acts. Glenview, Ill.: Scott, Foresman and Company.

Eisenberg, Nancy & Fabes, Richard (1994). Prosocial Development. In Damon, William & Eisenberg, Nancy (Eds.). Handbook of Child Psychology, (Fifth Edition), New York (etc.): John Wiley & Sons, Vol. 3, pp. 701-778.

Eisenberg, Nancy & Miller, Paul A. (1987). Empathy, sympathy, and altruism: empirical and conceptual links. Empathy and its development. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 292-316.

Eisenberg, Nancy (1982). The Development of Prosocial Behavior. New York: Academic Press.

Eisenberg, Nancy, Miller, Paul A., Schaller, Mark, Fabes, Richard A., Fultz, Jim, Shell, Rita & Shea, Cindy L. (1989). The Role of Sympathy and Altruistic Personality Traits in Helping: A Reexamination. Journal of Personality, 57: 41-67.

ICS (1997). Postgraduate Program in Social Science Theory and Methodology 1997. Utrecht: ICS.

Inglehart, Ronald (1977). The Silent Revolution: Changing Values and Political Styles Among Western Publics. Princeton: Princeton University Press.

Margolis, Howard (1982). Selfishness, Altruism and Rationality. Cambridge: Cambridge University Press

Pearce, Philip L. & Amato, Paul R. (1980). A Taxonomy of Helping: A Multidimensional Scaling Analysis. Social Psychology Quarterly, 43: 363-371.

Staub, Ervin (1978). Positive Social Behavior and Morality. New York (etc.): Academic Press.

Leave a comment

Filed under Uncategorized