Category Archives: Uncategorized

De veerkracht van de filantropie

[*]

Deze tekst als pdf downloaden

Burgerkracht, lokale actie, de doe-democratie, de participatiesamenleving: we komen deze termen steeds vaker tegen in de politiek, de media en beleidsstukken van de overheid en adviesorganen. De termen fungeren in een fundamenteel debat over de verdeling van verantwoordelijkheid van burgers en de overheid voor het welzijn van anderen en de samenleving. Het uitgangspunt van deze stukken is de autonome, zelfredzame burger, die geen overheidsregeling nodig heeft om voor zichzelf, de eigen omgeving en de samenleving te zorgen.

Bij dit uitgangspunt past de filantropie, gedefinieerd als vrijwillige bijdragen van geld en tijd aan het algemeen nuttige doelen zoals gezondheid, cultuur, onderwijs, natuur en levensbeschouwing. Die bijdragen komen niet alleen van levende burgers, maar ook van overledenen (via nalatenschappen), van bedrijven, vermogensfondsen, en van goededoelenloterijen. In 2013 ging er in de filantropie in totaal zo’n €4,4 miljard om. In 2011 spraken het kabinet en de sector filantropie af intensiever samen te werken aan de kwaliteit van de samenleving. Door het activerende beleid doet de overheid een groter beroep op vrijwillige bijdragen in de vorm van geld en tijd en neemt de maatschappelijke betekenis van filantropie toe.

In theorie biedt voorziening van maatschappelijke doelen en collectieve arrangementen uit vrijwilligheid een voordeel boven verplichting via belasting of een andere vrijheidsbeperking. Via vrijwillige bijdragen krijgen burgers meer controle over de kwaliteit van de samenleving en kunnen ze daar ook met recht trots op zijn. Burgers dragen liever vrijwillig bij aan maatschappelijke doelen dan via een verplichte belasting of via verplichte maatschappelijke dienstverlening.

De voorkeur voor vrijwillige bijdragen is niet alleen psychologisch in de vorm van een ‘goed gevoel’. Een experiment van Harbaugh, Mayr en Burghart (2007) maakte deze voorkeur zichtbaar door middel van hersenscans van Amerikaanse vrouwen die een grotere activiteit in het ‘genotscentrum’ in de hersenen vertoonden als zij een bedrag aan een goed doel gaven dan wanneer hetzelfde bedrag namens hen door de experimentleiders werd gegeven. Er kan ook voor burgers een materieel voordeel zitten aan vrijwillige bijdragen in de vorm van vrijwilligerswerk. Er is veel onderzoek dat laat zien dat vrijwilligers gelukkiger zijn, grotere sociale netwerken hebben, langer gezond blijven en uiteindelijk langer leven dan maatschappelijk minder betrokken burgers.

Filantropie verhoogt de kwaliteit van leven omdat zij zich richt op de aanpak van maatschappelijke problemen en de realisatie van maatschappelijke idealen. Het besef groeit dat effectieve oplossingen een goede samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers vereisen. Een eenzijdige aanpak van bovenaf door een nationale overheid ligt steeds minder voor de hand. Bijdragen van burgers en bedrijven, in de vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, vrijwilligerswerk, crowdfunding en actieve burgerparticipatie zijn welkom op uiteenlopende gebieden als integratie, cultuur, zorg, veiligheid, natuurbehoud en duurzaamheid.

De aandacht voor filantropie van de overheid is een herontdekking van een rijk verleden. Een mooi historisch voorbeeld is de manier waarop volgens de Amerikaanse journalist Russell Shorto (2005) de bouw van de Walstraat in Nieuw Amsterdam werd gefinancierd. Op Wall Street in New York, waar nu het centrum van het kapitalisme is gevestigd, stond ooit een muur die de inwoners van de stad tegen de indianen, de Engelsen en de Zweden moest beschermen. Omdat er geen overheid was die belasting kon heffen werd de bouw van de wal gefinancierd met vrijwillige bijdragen van de burgers van Nieuw Amsterdam, waarbij van de meer vermogende inwoners een grotere bijdrage werd verwacht. Zij hadden ook meer te verliezen bij een inval. Latere voorbeelden, dichterbij huis, zijn het Vondelpark, de Vrije Universiteit en de grote musea in Amsterdam: voor een groot deel gefinancierd met schenkingen van vermogende particulieren.

Met het beroep op burgers keert de overheid terug naar deze tijden. De omstandigheden zijn in sommige opzichten gelijkaardig. Opnieuw is er grote welvaart in Nederland, die opnieuw zeer ongelijk verdeeld is. Er zijn echter ook grote verschillen. De vraag om vrijwillige bijdragen komt in een tijd waarin burgers gewend zijn aan een overheid die voor hen zorgt. Bovendien komt de vraag in een tijd van economische onzekerheid en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Het beroep op vrijwillige bijdragen vraagt veerkracht van burgers. De Rockefeller Foundation (2015) definieert veerkracht als de capaciteit van mensen, gemeenschappen en instituties om zich voor te bereiden op schokken en langdurige belasting, zich daar tegen te verzetten en ervan te herstellen. Veerkracht komt niet alleen tot uiting in zelfredzaamheid, maar ook in het mobiliseren van hulp en het aanboren van nieuwe hulpbronnen. Het gevoel van gemeenschap, het besef dat je met elkaar meer kunt bereiken dan alleen, en het vertrouwen in anderen helpen daar bij. Deze factoren zijn ook cruciaal voor de filantropie.

De sector filantropie is in Nederland in de afgelopen decennia niet gegroeid vanuit tegenslag en bedreiging. Integendeel. In de jaren ’90 hadden we geen last van crisis en groeide de sector als kool, nog veel harder dan de economie. De sector organiseerde en professionaliseerde zich. Er kwamen brancheverenigingen, gedragscodes, keurmerken, toezichthouders, er kwamen opleidingen en er kwam onderzoek dat de sector filantropie in kaart bracht. Die gehele ontwikkeling vond plaats in het laatste decennium van de jaren ’90 zonder dat er grote problemen waren. De filantropie is groot geworden in een tijd van voorspoed, zonder veel bemoeienis en grotendeels buiten het blikveld van de overheid. Vanuit de betrokkenheid van Nederlanders. Niet zozeer om maatschappelijke problemen op te lossen, maar ook – en misschien wel vooral – om idealen te verwezenlijken. Filantropie is de uiting bij uitstek van de veerkracht van de samenleving. Uit de filantropie van een samenleving blijkt waar burgers om geven, wat zij goede doelen vinden en hoeveel zij ervoor over hebben.

De economische crisis waarin Nederland in 2009 terecht is gekomen heeft een beroep gedaan op de veerkracht van burgers. Het zijn niet zozeer de korte termijn fluctuaties in de hoogte van inkomens, de werkloosheid of het consumentenvertrouwen die samenhangen met de lange termijn trend in het geefgedrag. Het gaat eerder om de economische zekerheid op de lange termijn: de waarde van giften van geld aan goede doelen houdt sinds 1965 gelijke tred met de ontwikkeling van de vermogens van Nederlanders. Sinds 1985 volgt de ontwikkeling in de hoogte van de giften in Nederland vrijwel exact de ontwikkeling in de hoogte van de waarde van onroerend goed.

consumptie_filantropie_onroerendgoed_08_13

Consumptieve bestedingen van huishoudens (nationaal) en totaal vermogen van huishoudens in de vorm van onroerend goed volgens het CBS en de waarde van filantropie door huishoudens volgens Geven in Nederland (niet gecorrigeerd voor inflatie)

De filantropie in Nederland lijkt minder gevoelig te zijn voor economische tegenwind dan die van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar de inkomsten voor goededoelenorganisaties flink daalden in 2008 en 2009 en daarna nauwelijks stegen. Pas in 2012 zagen de goededoelenorganisaties in de VS hun inkomsten weer toenemen. In Nederland bleef het recessie-effect uit tot 2011. Bovendien was het effect beperkt. We zien nu in 2013 weer een stijging van de giften. Dit is opmerkelijk omdat de waarde van onroerend goed in 2013 nog daalde. Ook de betrokkenheid van bedrijven bij goede doelen blijft hoog, ondanks de crisis. Het totaalbedrag aan giften en sponsoring is vrijwel gelijk gebleven.

Ook het overheidsbeleid van de afgelopen jaren heeft voor terugslag gezorgd. De overheid heeft taken gedecentraliseerd naar gemeenten, waardoor een groter beroep wordt gedaan op burgers om voor henzelf en hun naasten te zorgen. In de nieuwe cijfers over vrijwilligerswerk zien we een achteruitgang. In 2010 deed nog 41% vrijwilligerswerk, in 2014 is dat gedaald naar 37%. Ook het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn is gedaald, naar 18 uur per maand. In 2012 was dit nog 21 uur. We zien wel veerkracht onder de loyale groep vrijwilligers, die juist actiever is geworden. Er is echter een grens aan de inzet van de trouwe vrijwilliger. Het toenemende belang dat de overheid in de participatiesamenleving aan mantelzorg en informele hulp hecht vormt op termijn een bedreiging voor het vrijwilligerswerk. We zien in het Geven in Nederland onderzoek dat informele hulp, mantelzorg en vrijwilligerswerk communicerende vaten zijn. Het hemd is dan nader dan de rok. Mensen stoppen vaker met vrijwilligerswerk als ze mantelzorgtaken erbij krijgen.

De overheid heeft bezuinigd op subsidies voor specifieke goededoelenorganisaties. Met name in de cultuursector hebben instellingen lastige keuzes moeten maken. Door de bezuinigingen op culturele instellingen is een beroep gedaan op de veerkracht in de sector cultuur. We zien hier grote verschillen tussen instellingen. De grotere musea van ons land zijn met behoud van subsidie in staat geweest om ook nog meer geld uit de markt te halen. Voor veel andere instellingen staan de inkomsten door bezuinigingen onder druk en zij lijken nog niet goed in staat meer inkomsten uit fondsenwerving en commerciële inkomsten te halen. Helaas blijkt ook bij de gevers de veerkracht beperkt te zijn. Vooralsnog zijn de bezuinigingen op culturele instellingen veel groter dan de toename in de giften aan culturele instellingen. Vermogende gevers zijn niet van plan meer te gaan geven aan cultuur.

De komende jaren zal duidelijk worden of vrijwillige bijdragen voldoende zijn om de schokken op te vangen die de economische crisis en de bezuinigingen door de overheid hebben veroorzaakt.  Zijn we als samenleving in staat deze betrokkenheid te mobiliseren? De aantrekkingskracht van het werk van goededoelenorganisaties is daarbij niet voldoende. Vermogende particulieren verlangen een meer zakelijke manier van werken dan gebruikelijk is bij veel goede doelen en hebben behoefte aan nieuwe financiële instrumenten die zakelijke investeringen in de kwaliteit van de samenleving mogelijk maken. Denk daarbij aan crowdfunding, social impact bonds, en ‘venture philanthropy’. De lage rentestand maken deze alternatieve vormen van investeren aantrekkelijker. In de geest van het convenant uit 2011 zou de sector filantropie in overleg met de overheid en het bedrijfsleven deze instrumenten verder moeten ontwikkelen.

Literatuur

Bekkers, R., Schuyt, T.N.M. & Gouwenberg, B.M. (2015, Red). Geven in Nederland 2015: Giften, Nalatenschappen, Sponsoring en Vrijwilligerswerk. Amsterdam: Reed Business.

Harbaugh, W.T. , Mayr , U., & Burghart, D.R. (2007). Neural responses to taxation and voluntary giving reveal motives for charitable donations. Science, 316: 1622-1625.

Rockefeller Foundation (2015). Resilience. https://www.rockefellerfoundation.org/our-work/topics/resilience/

Shorto, R. (2005). The Island At the Center of the World. New York: Random House/Vintage.

[*] Deze bijdrage is deels gebaseerd op gegevens uit Geven in Nederland 2015 (Bekkers, Schuyt & Gouwenberg, 2015).

Advertisements

1 Comment

Filed under altruism, Center for Philanthropic Studies, charitable organizations, economics, foundations, household giving, Netherlands, philanthropy, taxes, Uncategorized, volunteering

Clara gives more than Maria – nonprofit research makes fundraisers clever (6/2014)

Butterfly Blog

This article first appeared on the website of the Fundraiser Magazin.

Two twin sisters, Clara and Maria, are raised together at the same place, go to the same school, remain both in the same neighborhood. Yet, Clara is donating five times as much as Maria. Why is that? It’s probably because Clara is attending church service almost every week, whereas Maria, by contrast, makes a big circle around Lord’s house.

Rene Bekkers, researcher at the Institute “Philanthropy Studies” at the Vrije University of Amsterdam was able to show in the first twin study of donor research: Each church service, that one twin is attending more often than her sibling, correlates with 20 Euro higher amount of annual donation. Nice, but do we need to know?

Clara and Maria differ in another respect: Maria attended a college, Clara applied for a job right after school. Although Maria is now earning…

View original post 349 more words

1 Comment

Filed under Uncategorized

The Autobiography of A Problem: How I Got to Study Prosocial Behavior

Diving deep into my archives I recovered an old file in which I describe how I got to study prosocial behavior. The file is dated 21 February 2000. I reproduce it below – and here’s a pdf.

The Autobiography of A Problem

In an otherwise useless book, Deutscher (1973) employed the distinction between the logic of a problem as portrayed in scientific publications and the autobiographical ‘logic’ of its discovery and treatment. The distinction is familiar to any social scientist. The way we present our results is seldom the same as the path we followed to reach them. Following current conventions in social science, I wrote the articles in my dissertation as a series of questions, that seemed worthy of giving attention given the state of the knowledge available in the literature. I tried to make progress where substantial gaps were obvious and my capacities allowed me to. But how did I get to my account of ‘the current state of knowledge’? It is the autobiography of my research problems that I want to report now.

Prior Education
Looking back on the development of my PhD-project, I can see a continuous line of development since the beginning of my education as a sociologist. I studied sociology at Nijmegen University, The Netherlands. Although the Institute was officially of Catholic signature, its ecclesiastical undertones were hardly visible to me. The kind of sociology I was taught was mainly empirical macro-sociology. Questions on stratification and mobility, racial attitudes, voting, homogeneity of marriages inspired most of the research going on at the time. The catholic origins of the Institute were only visible in repeated, cross-sectional surveys measuring values, attitudes and their behavioral correlates such as voting and religious denomination. In line with my interest in philosophical questions on scientific methods, religious beliefs and even metaphysics, I wrote a master thesis on the beliefs of clients of a ‘New Age’-center – which was quite a new phenomenon at the time (Bekkers, 1997).

A Different World

After my graduation I found a PhD-position at the Interuniversity Center for Social Science Theory and Methodology (ICS), Utrecht University. The project consisted of half a page of ideas on the sociology of consumption (ICS, 1997), and was supervised by Harry Ganzeboom, a former teacher from my first year of sociology in Nijmegen, and Nan Dirk de Graaf, who had been a lecturer in Nijmegen all along. In essence, the aim was to identify a new pattern of consumption, associated with a post-materialist value orientation (Inglehart, 1977). The project had some connections with my master thesis, because ‘New Age’-clients were high in post-materialism. But this was not the direction that I followed. As I entered the ICS, I discovered that the research school, of which my sociology-teachers were a part, was based on a combination of rational choice theory and Popperian methodology. I knew Popper’s philosophy of science and was very sympathetic to it, but with rational choice theory I was rather unfamiliar. At the ICS I learned the principles of rational choice theory. My first serious meeting with it was unsettling, because I thought that cynical assumptions on human nature were central to its explanatory power. Although I didn’t like the assumption of material self-interest, I tried to work with it. But I also came to see its shortcomings. According to a simple version of rational choice theory, rational actors in social dilemmas should not contribute to public goods. Because I saw the consumption of ‘environment-friendly’ products as a part of the post-materialist lifestyle, I tried to explain this phenomenon with reference to self-interest only. At first, this was an intellectual problem. Many rational choice-theorists I read apparently saw it as a challenge to explain away ‘seemingly’ altruistic acts as the ultimate result of self-interest. But many experiments show that people do cooperate, even in ‘one shot’-dilemmas, which are specifically structured to induce ‘rational’, selfish behavior. How could this be possible? Then the question caught me: why do people do things that are no good for themselves anyway?

After I had got acquainted with the ‘participation paradox’ in theory, I discovered more and more examples of unselfish behavior in real life. There were even much stronger examples in real life than in the world of experimental gaming: donation of money to charity, donation of bodily organs, donation of blood, and so on. These examples made my questions on the participation paradox even more urgent. From personal experience I got the suspicion that there had to be important individual differences in altruism. Maybe the steady percentage of people that keep on playing ‘cooperation’ in these games is a group of ‘hard core altruists’.

From ‘Cooperation’ to ‘Prosocial Behavior’

At this point, the project took a decisive turn. The central idea of the project shifted from the identification of a post-materialist lifestyle to the explanation of ‘altruistic’ behaviors such as buying environmentally friendly products. It was one of my supervisors, Harry Ganzeboom, who suggested that I take a look into social psychology. He remembered the term ‘prosocial behavior’ as precisely the category of behaviors that I was interested in. A blind search in the library formed the basis of all the work I did from that point onwards. As a kind of naïve mountaineer I started reading the literature. I didn’t know that so much work had already been done, and I was also unfamiliar with social psychology altogether. I did not only read substantive papers, but also dived into methodological issues such as the debate on consistency from the seventies.

I made some important discoveries that were surprising for a sociologist with an interest in questions on philosophy of science. I discovered that there are large differences in method and theory between social psychological studies, game theoretical approaches and sociological treatments of the subject. The substantive papers gave me an enormous list of independent variables to consider in an explanatory model, including personality characteristics. To many sociologists, personality is non-existent, or – at best – not relevant (read: not interesting). In the meantime, I sharpened my dependent variable, because I discovered that the term ‘prosocial behavior’ was too broad to deal with in unity. I discovered that I was interested in understanding how prosocial behavior in the absence of clearly material interests for the beneficiary him/herself came about. I selected dependent variables where situational factors cannot fully explain prosocial behavior, because they lack the altruistic motive: to make the other better off. When situational factors cannot do the job, we have to look on the person-side. I concluded that there must be something in the heads of people playing these prisoner’s dilemma games that makes them cooperate, even when the situation is specifically designed to make them defect. From the social psychological literature I learned that there were indeed important individual differences in game behavior. As an explanation, the obvious candidate in personality was some individual difference in altruism. The rational choice perspective I had become familiar with, made me think of altruism as having a preference for outcomes of other players. At first it was the Margolis (1982)-model that fit into this picture. Reading his book, however, I wondered how people decide (or: how it is determined) whether they value outcomes for others. The concept of social orientations that I met in the work of Liebrand and Van Lange appealed very much to me, because this model was more clear and simple.

However, sociologists are not very fond of introducing individual differences out of the blue. My supervisors kept asking me why these ‘social orientations’ were so important. I had no real answer at that time, but I came back to the question later on. In the meantime, I had become acquainted with the concept of empathy through the experimental work of Daniel Batson (1991). I didn’t like his general question (“Does real altruism exist?”) and I also didn’t like his situational interpretation of empathy. But the concept of empathy in itself stroke me as an important clarification of the simple idea of altruism inherent in social orientations. Empathy seemed to be an interpretation of why people care for others. Looking for an individual difference measure of empathy, which I found in the work of Mark Davis (1994), I also came across a series of articles by Nancy Eisenberg (Eisenberg, 1982; Eisenberg & Miller, 1987; Eisenberg et al., 1989; Eisenberg & Fabes, 1994). As a developmental psychologist, she had also been active in the field of socialization and parenting. This research opened up a new perspective on the old question of my supervisors why social orientations were so important. I reasoned that parenting styles are not randomly distributed among the population, which implies that conventional sociological variables such as education, income, and social status had to be of importance for individual differences in prosocial dispositions. It was also probably through her work that I discovered that a strong debate had been going on in social psychology in the late 1970s and early 1980s between supporters of dispositional and situational explanations of social behavior: the ‘consistency controversy’. Here I found another enormous amount of material, that needed delimitation in order not to get lost. I felt that the ‘interactionist’ perspective that emerged from the consistency debate could be an important candidate to integrate the different perspectives of social psychology, sociology, and rational choice theory.

Selling the Project: What’s New?

The next step was the formulation of a research problem that contained new elements. While I was getting to know the literature, I had mainly been interested in what had been discovered previously, and not so much in what had not been dealt with. Repeating what others have done before you creates clarity and order, but is not very useful to get your PhD-project funded. I had to come up with some strong points on which I could improve upon the existing body of research. I identified conceptual problems: prosocial behavior is often considered to be one single category of behavior, while this is not the case. I saw some awareness of this problem glimmering between the lines, but not a full realization of it. That’s why I took a fresh look at the literature that I had been dealing with for so long, with a new question in mind: how can I distinguish between different kinds of prosocial behavior to understand why so many variables are connected with it, and why they have different kinds effects in different studies? I divided the unified category of prosocial behavior in different dimensions, and used insights from the consistency debate to understand differential effects of person-and situation-variables. Et voila: research question 1 & 2.

My third research question emerged from an imaginary discussion I held between a sociologist and a social psychologist. The sociologist asks: ‘Why are individual differences important? They may add some explained variance to your regression model, but they do not alter the effects of other independent variables.’ The social psychologist started talking about interaction-effects, but was interrupted by the sociologist with the argument that inclusion of interaction-effects does not necessarily change the magnitude of main effects. Then a pair of new discussion partners entered the arena: the classical sociologist, and the developmental psychologist. The former asked the rational choice theorist: ‘Do you really think that individual differences in altruism are normally distributed among the population?’ The developmental psychologist added: ‘Of course not. Since we took over socialization research from sociology, we have discovered much of the origins of prosocial dispositions.’ The classical sociologist corrected this view: ‘But you neglected many of the truly sociological variables…’ This imaginary discussion was the beginning of my third research question, which I developed more and more later on.

Of course, there was the occasional disappointment during my exploration that others had already published my ‘revolutionary’ ideas years before I came to think of them and wrote them down. An example is the idea to divide prosocial behavior into theoretically meaningful categories of behavior, in order to predict differential personality effects on helping. I put the idea in my NWO-proposal (submitted in may 1998), but found it back in January, 2000, in Staub’s extensive volume (1978, vol. 1, p. 122-123) when ploughing through the pile of literature that was simply too much when writing the proposal.

Another example was the vignette-part of the study. When tracing the literature on person-situation-interactions in January, 1999, I recognized the idea to test interaction-effects with hypothetical scenarios that I put in the NWO-proposal in may 1998 in Carlo et al. (1991). And they were already late, since I found out in January 2000 that the very same idea is presented in the discussion of a taxonomy of helping situations in Pearce & Amato (1982, p. 75).

References

Batson, C. Daniel (1991). The Altruism Question: Toward a Social-Psychological Answer. Hillsdale, NJ: Lawrence Erlsbaum Associates.

Bekkers, René (1997). New Age in sociologisch perspectief. Nijmegen: Undergraduate thesis.

Carlo, Gustavo, Eisenberg, Nancy, Troyer, Debra, Switzer, Galen, & Speer, Anna L. (1991). The Altruistic Personality: In What Contexts Is It Apparent? Journal of Personality and Social Psychology, 61: 450-458.

Davis,  Mark H. (1994). Empathy: A Social Psychological Approach. Madison, WI: Brown & Benchmark.

Deutscher, Irwin (1973). What we say/what we do: sentiments & acts. Glenview, Ill.: Scott, Foresman and Company.

Eisenberg, Nancy & Fabes, Richard (1994). Prosocial Development. In Damon, William & Eisenberg, Nancy (Eds.). Handbook of Child Psychology, (Fifth Edition), New York (etc.): John Wiley & Sons, Vol. 3, pp. 701-778.

Eisenberg, Nancy & Miller, Paul A. (1987). Empathy, sympathy, and altruism: empirical and conceptual links. Empathy and its development. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 292-316.

Eisenberg, Nancy (1982). The Development of Prosocial Behavior. New York: Academic Press.

Eisenberg, Nancy, Miller, Paul A., Schaller, Mark, Fabes, Richard A., Fultz, Jim, Shell, Rita & Shea, Cindy L. (1989). The Role of Sympathy and Altruistic Personality Traits in Helping: A Reexamination. Journal of Personality, 57: 41-67.

ICS (1997). Postgraduate Program in Social Science Theory and Methodology 1997. Utrecht: ICS.

Inglehart, Ronald (1977). The Silent Revolution: Changing Values and Political Styles Among Western Publics. Princeton: Princeton University Press.

Margolis, Howard (1982). Selfishness, Altruism and Rationality. Cambridge: Cambridge University Press

Pearce, Philip L. & Amato, Paul R. (1980). A Taxonomy of Helping: A Multidimensional Scaling Analysis. Social Psychology Quarterly, 43: 363-371.

Staub, Ervin (1978). Positive Social Behavior and Morality. New York (etc.): Academic Press.

Leave a comment

Filed under Uncategorized

my thoughts on that hurricane study

Nice discussion of PNAS study on hurricane naming effects.

scatterplot

I’ve been active on Twitter regarding the well-publicized study that hurricanes with feminine names kill more people than hurricanes with masculine names. Let me just provide an anthology of my thoughts here:

View original post 1,118 more words

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Wetenschap en filantropie

Wereldwijd houdt een toenemend aantal wetenschappers uit zeer uiteenlopende disciplines zich bezig met filantropie. Deze trend zien we ook in Nederland. Wat is er in de wetenschap bekend over de achtergronden en de impact van filantropie? En hoe ziet het Nederlandse academische landschap eruit? In deze bijdrage geef ik een beknopt antwoord op deze vragen. Een meer volledig antwoord zou veel meer pagina’s beslaan dan deze bijdrage kan omvatten. Graag verwijs ik u voor meer achtergronden naar de publicaties die aan het eind van deze bijdrage vermeld staan.

Vervolg: https://renebekkers.files.wordpress.com/2011/08/bekkers_filanthropiumjg14.pdf

Leave a comment

Filed under Uncategorized

De Gouden Eeuw van de Filantropie: €86 miljard tot 2059

Nalatenschappen zijn een steeds belangrijkere bron van inkomsten voor  goede doelen. En deze trend zal zich de komende jaren naar verwachting doorzetten: er zijn door de baby boom na de Tweede Wereldoorlog veel ouderen in Nederland, zij zijn vaak vermogend, en deze rijke grijze golf zal de komende jaren komen te overlijden. Net zoals we aan de kust een grote golf op het strand af zien komen. Hoeveel vloeit er terug de zee van hun kinderen in, en hoeveel schelpen blijven er dan op het strand liggen voor goede doelen? Deze vragen heb ik geprobeerd te beantwoorden in mijn oratie op 25 april 2013. Gisteren heb ik op een bijeenkomst over de werving van nalatenschappen mijn schattingen toegelicht: de presentatie is hier te downloaden.

Het zijn moeilijk te beantwoorden vragen omdat er veel onzekerheden in het spel zijn. Hoeveel ouderen zullen er met welk vermogen in de komende jaren overlijden? Welk gedeelte van die ouderen heeft een testament, en in hoeveel gevallen staat er een goed doel in benoemd als erfgenaam of legataris?

Sterfte. De sterfte in de komende jaren is nog de meest zekere factor. Het CBS heeft schattingen gemaakt van de sterfte tot 2059.

Vermogen. De hoogte van het vermogen bij overlijden is al veel moeilijker. Hoe zal de vermogenspositie van ouderen zich de komende tijd ontwikkelen? Vermogens bestaan voor het grootste deel uit drie onderdelen: onroerend goed, belegd vermogen, en spaartegoeden. Sinds 2009 zijn de huizenprijzen verder gedaald, en die daling zet zich voorlopig nog even door. De NVM schat in dat de daling ophoudt eind 2014; dan is de bodem van de huizenmarkt bereikt. De beurzen staan de laatste tijd weer voorzichtig in de plus. Spaartegoeden zijn nauwelijks in waarde gestegen. Als we de ontwikkelingen in de vermogens tussen 2009 en 2011 als uitgangspunt nemen en die doortrekken naar de toekomst krijgen we een conservatieve schatting van de waarde van vermogens in de komende jaren.

Nalatenschappen aan goede doelen. Cijfers over nalatenschappen aan algemeen nut beogende instellingen (anbi’s) zijn in Nederland moeilijk te krijgen. Omdat goede doelen over de inkomsten uit nalatenschappen mede door toedoen van Johan Cruijff sinds 2006 geen belasting meer hoeven te betalen weten we niet zeker hoe groot deze inkomsten zijn. In 2005 stond in 3,7% van de testamenten een goed doel als ontvanger van tenminste een deel van het vermogen benoemd. In 1982 was dat overigens nog in 4,2% van de testamenten. Door ‘het gat van Cruijff’ weten we na 2005 niet precies in hoeveel testamenten goede doelen stonden. Maar omdat over erfenissen voor kinderen wel belasting moet worden betaald en kinderen de erfenis soms met goede doelen moeten delen kunnen we ook voor de jaren na 2005 toch een schatting maken van het aantal nalatenschappen aan anbi’s en de totale waarde daarvan. In 2009 ging het naar schatting om ongeveer 5000 nalatenschappen met een gezamenlijke waarde van €496 miljoen. Als we de trend in de totale waarde van nalatenschappen aan anbi’s doortrekken en rekening houden met de toename in de sterfte in de komende jaren hebben we het over een cumulatieve vermogensoverdracht aan goede doelen tot 2059 ter waarde van €86 miljard.

Addertjes onder het gras. De vermogens van ouderen zijn veel groter dan de waarde van de nalatenschappen waarvan aangifte wordt gedaan bij de belastingdienst. De gemiddelde nalatenschap bedroeg in 2009 €109.000. Meer dan de helft van het vermogens van 65-plussers (in 2009 gemiddeld €249.000) gaat nog op voordat zij komen te overlijden. Als de komende jaren de consumptieve bestedingen van ouderen toenemen, bijvoorbeeld omdat de pensioenen kleiner worden, de zorgkosten hoger en kinderen vaker werkloos zijn, dan blijft er bij overlijden minder over. Ook de erfbelasting is een onzekere factor. Die was in 2009 gemiddeld €13.000 per nalatenschap. Als de erfbelasting wordt verhoogd zal dit de netto waarde van nalatenschappen verlagen. Aan de andere kant: als de beurzen verder omhoog gaan de komende jaren en de huizenmarkt uit het dal kruipt zullen de vermogens weer in waarde toenemen.

1 Comment

Filed under Uncategorized