Category Archives: household giving

De veerkracht van de filantropie

[*]

Deze tekst als pdf downloaden

Burgerkracht, lokale actie, de doe-democratie, de participatiesamenleving: we komen deze termen steeds vaker tegen in de politiek, de media en beleidsstukken van de overheid en adviesorganen. De termen fungeren in een fundamenteel debat over de verdeling van verantwoordelijkheid van burgers en de overheid voor het welzijn van anderen en de samenleving. Het uitgangspunt van deze stukken is de autonome, zelfredzame burger, die geen overheidsregeling nodig heeft om voor zichzelf, de eigen omgeving en de samenleving te zorgen.

Bij dit uitgangspunt past de filantropie, gedefinieerd als vrijwillige bijdragen van geld en tijd aan het algemeen nuttige doelen zoals gezondheid, cultuur, onderwijs, natuur en levensbeschouwing. Die bijdragen komen niet alleen van levende burgers, maar ook van overledenen (via nalatenschappen), van bedrijven, vermogensfondsen, en van goededoelenloterijen. In 2013 ging er in de filantropie in totaal zo’n €4,4 miljard om. In 2011 spraken het kabinet en de sector filantropie af intensiever samen te werken aan de kwaliteit van de samenleving. Door het activerende beleid doet de overheid een groter beroep op vrijwillige bijdragen in de vorm van geld en tijd en neemt de maatschappelijke betekenis van filantropie toe.

In theorie biedt voorziening van maatschappelijke doelen en collectieve arrangementen uit vrijwilligheid een voordeel boven verplichting via belasting of een andere vrijheidsbeperking. Via vrijwillige bijdragen krijgen burgers meer controle over de kwaliteit van de samenleving en kunnen ze daar ook met recht trots op zijn. Burgers dragen liever vrijwillig bij aan maatschappelijke doelen dan via een verplichte belasting of via verplichte maatschappelijke dienstverlening.

De voorkeur voor vrijwillige bijdragen is niet alleen psychologisch in de vorm van een ‘goed gevoel’. Een experiment van Harbaugh, Mayr en Burghart (2007) maakte deze voorkeur zichtbaar door middel van hersenscans van Amerikaanse vrouwen die een grotere activiteit in het ‘genotscentrum’ in de hersenen vertoonden als zij een bedrag aan een goed doel gaven dan wanneer hetzelfde bedrag namens hen door de experimentleiders werd gegeven. Er kan ook voor burgers een materieel voordeel zitten aan vrijwillige bijdragen in de vorm van vrijwilligerswerk. Er is veel onderzoek dat laat zien dat vrijwilligers gelukkiger zijn, grotere sociale netwerken hebben, langer gezond blijven en uiteindelijk langer leven dan maatschappelijk minder betrokken burgers.

Filantropie verhoogt de kwaliteit van leven omdat zij zich richt op de aanpak van maatschappelijke problemen en de realisatie van maatschappelijke idealen. Het besef groeit dat effectieve oplossingen een goede samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers vereisen. Een eenzijdige aanpak van bovenaf door een nationale overheid ligt steeds minder voor de hand. Bijdragen van burgers en bedrijven, in de vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, vrijwilligerswerk, crowdfunding en actieve burgerparticipatie zijn welkom op uiteenlopende gebieden als integratie, cultuur, zorg, veiligheid, natuurbehoud en duurzaamheid.

De aandacht voor filantropie van de overheid is een herontdekking van een rijk verleden. Een mooi historisch voorbeeld is de manier waarop volgens de Amerikaanse journalist Russell Shorto (2005) de bouw van de Walstraat in Nieuw Amsterdam werd gefinancierd. Op Wall Street in New York, waar nu het centrum van het kapitalisme is gevestigd, stond ooit een muur die de inwoners van de stad tegen de indianen, de Engelsen en de Zweden moest beschermen. Omdat er geen overheid was die belasting kon heffen werd de bouw van de wal gefinancierd met vrijwillige bijdragen van de burgers van Nieuw Amsterdam, waarbij van de meer vermogende inwoners een grotere bijdrage werd verwacht. Zij hadden ook meer te verliezen bij een inval. Latere voorbeelden, dichterbij huis, zijn het Vondelpark, de Vrije Universiteit en de grote musea in Amsterdam: voor een groot deel gefinancierd met schenkingen van vermogende particulieren.

Met het beroep op burgers keert de overheid terug naar deze tijden. De omstandigheden zijn in sommige opzichten gelijkaardig. Opnieuw is er grote welvaart in Nederland, die opnieuw zeer ongelijk verdeeld is. Er zijn echter ook grote verschillen. De vraag om vrijwillige bijdragen komt in een tijd waarin burgers gewend zijn aan een overheid die voor hen zorgt. Bovendien komt de vraag in een tijd van economische onzekerheid en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Het beroep op vrijwillige bijdragen vraagt veerkracht van burgers. De Rockefeller Foundation (2015) definieert veerkracht als de capaciteit van mensen, gemeenschappen en instituties om zich voor te bereiden op schokken en langdurige belasting, zich daar tegen te verzetten en ervan te herstellen. Veerkracht komt niet alleen tot uiting in zelfredzaamheid, maar ook in het mobiliseren van hulp en het aanboren van nieuwe hulpbronnen. Het gevoel van gemeenschap, het besef dat je met elkaar meer kunt bereiken dan alleen, en het vertrouwen in anderen helpen daar bij. Deze factoren zijn ook cruciaal voor de filantropie.

De sector filantropie is in Nederland in de afgelopen decennia niet gegroeid vanuit tegenslag en bedreiging. Integendeel. In de jaren ’90 hadden we geen last van crisis en groeide de sector als kool, nog veel harder dan de economie. De sector organiseerde en professionaliseerde zich. Er kwamen brancheverenigingen, gedragscodes, keurmerken, toezichthouders, er kwamen opleidingen en er kwam onderzoek dat de sector filantropie in kaart bracht. Die gehele ontwikkeling vond plaats in het laatste decennium van de jaren ’90 zonder dat er grote problemen waren. De filantropie is groot geworden in een tijd van voorspoed, zonder veel bemoeienis en grotendeels buiten het blikveld van de overheid. Vanuit de betrokkenheid van Nederlanders. Niet zozeer om maatschappelijke problemen op te lossen, maar ook – en misschien wel vooral – om idealen te verwezenlijken. Filantropie is de uiting bij uitstek van de veerkracht van de samenleving. Uit de filantropie van een samenleving blijkt waar burgers om geven, wat zij goede doelen vinden en hoeveel zij ervoor over hebben.

De economische crisis waarin Nederland in 2009 terecht is gekomen heeft een beroep gedaan op de veerkracht van burgers. Het zijn niet zozeer de korte termijn fluctuaties in de hoogte van inkomens, de werkloosheid of het consumentenvertrouwen die samenhangen met de lange termijn trend in het geefgedrag. Het gaat eerder om de economische zekerheid op de lange termijn: de waarde van giften van geld aan goede doelen houdt sinds 1965 gelijke tred met de ontwikkeling van de vermogens van Nederlanders. Sinds 1985 volgt de ontwikkeling in de hoogte van de giften in Nederland vrijwel exact de ontwikkeling in de hoogte van de waarde van onroerend goed.

consumptie_filantropie_onroerendgoed_08_13

Consumptieve bestedingen van huishoudens (nationaal) en totaal vermogen van huishoudens in de vorm van onroerend goed volgens het CBS en de waarde van filantropie door huishoudens volgens Geven in Nederland (niet gecorrigeerd voor inflatie)

De filantropie in Nederland lijkt minder gevoelig te zijn voor economische tegenwind dan die van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar de inkomsten voor goededoelenorganisaties flink daalden in 2008 en 2009 en daarna nauwelijks stegen. Pas in 2012 zagen de goededoelenorganisaties in de VS hun inkomsten weer toenemen. In Nederland bleef het recessie-effect uit tot 2011. Bovendien was het effect beperkt. We zien nu in 2013 weer een stijging van de giften. Dit is opmerkelijk omdat de waarde van onroerend goed in 2013 nog daalde. Ook de betrokkenheid van bedrijven bij goede doelen blijft hoog, ondanks de crisis. Het totaalbedrag aan giften en sponsoring is vrijwel gelijk gebleven.

Ook het overheidsbeleid van de afgelopen jaren heeft voor terugslag gezorgd. De overheid heeft taken gedecentraliseerd naar gemeenten, waardoor een groter beroep wordt gedaan op burgers om voor henzelf en hun naasten te zorgen. In de nieuwe cijfers over vrijwilligerswerk zien we een achteruitgang. In 2010 deed nog 41% vrijwilligerswerk, in 2014 is dat gedaald naar 37%. Ook het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn is gedaald, naar 18 uur per maand. In 2012 was dit nog 21 uur. We zien wel veerkracht onder de loyale groep vrijwilligers, die juist actiever is geworden. Er is echter een grens aan de inzet van de trouwe vrijwilliger. Het toenemende belang dat de overheid in de participatiesamenleving aan mantelzorg en informele hulp hecht vormt op termijn een bedreiging voor het vrijwilligerswerk. We zien in het Geven in Nederland onderzoek dat informele hulp, mantelzorg en vrijwilligerswerk communicerende vaten zijn. Het hemd is dan nader dan de rok. Mensen stoppen vaker met vrijwilligerswerk als ze mantelzorgtaken erbij krijgen.

De overheid heeft bezuinigd op subsidies voor specifieke goededoelenorganisaties. Met name in de cultuursector hebben instellingen lastige keuzes moeten maken. Door de bezuinigingen op culturele instellingen is een beroep gedaan op de veerkracht in de sector cultuur. We zien hier grote verschillen tussen instellingen. De grotere musea van ons land zijn met behoud van subsidie in staat geweest om ook nog meer geld uit de markt te halen. Voor veel andere instellingen staan de inkomsten door bezuinigingen onder druk en zij lijken nog niet goed in staat meer inkomsten uit fondsenwerving en commerciële inkomsten te halen. Helaas blijkt ook bij de gevers de veerkracht beperkt te zijn. Vooralsnog zijn de bezuinigingen op culturele instellingen veel groter dan de toename in de giften aan culturele instellingen. Vermogende gevers zijn niet van plan meer te gaan geven aan cultuur.

De komende jaren zal duidelijk worden of vrijwillige bijdragen voldoende zijn om de schokken op te vangen die de economische crisis en de bezuinigingen door de overheid hebben veroorzaakt.  Zijn we als samenleving in staat deze betrokkenheid te mobiliseren? De aantrekkingskracht van het werk van goededoelenorganisaties is daarbij niet voldoende. Vermogende particulieren verlangen een meer zakelijke manier van werken dan gebruikelijk is bij veel goede doelen en hebben behoefte aan nieuwe financiële instrumenten die zakelijke investeringen in de kwaliteit van de samenleving mogelijk maken. Denk daarbij aan crowdfunding, social impact bonds, en ‘venture philanthropy’. De lage rentestand maken deze alternatieve vormen van investeren aantrekkelijker. In de geest van het convenant uit 2011 zou de sector filantropie in overleg met de overheid en het bedrijfsleven deze instrumenten verder moeten ontwikkelen.

Literatuur

Bekkers, R., Schuyt, T.N.M. & Gouwenberg, B.M. (2015, Red). Geven in Nederland 2015: Giften, Nalatenschappen, Sponsoring en Vrijwilligerswerk. Amsterdam: Reed Business.

Harbaugh, W.T. , Mayr , U., & Burghart, D.R. (2007). Neural responses to taxation and voluntary giving reveal motives for charitable donations. Science, 316: 1622-1625.

Rockefeller Foundation (2015). Resilience. https://www.rockefellerfoundation.org/our-work/topics/resilience/

Shorto, R. (2005). The Island At the Center of the World. New York: Random House/Vintage.

[*] Deze bijdrage is deels gebaseerd op gegevens uit Geven in Nederland 2015 (Bekkers, Schuyt & Gouwenberg, 2015).

1 Comment

Filed under altruism, Center for Philanthropic Studies, charitable organizations, economics, foundations, household giving, Netherlands, philanthropy, taxes, Uncategorized, volunteering

Giving in the Netherlands 2015: Summary of Principle Findings

This is a summary in English. Download this post in PDF here.

Prof. R.H.F.P. Bekkers, Ph.D., Prof. Th.N.M. Schuyt, Ph.D., & Gouwenberg, B.M. (Eds., 2015). Giving in the Netherlands: Donations, Bequests, Sponsoring and Volunteering. Amsterdam: Reed Business. ISBN 978 90 352 4818 2

I – Results for 2013

Total amount donated in 2013

In the Netherlands, about € 4.4 billion was donated to charitable causes in 2013.

The total figure is the sum of estimated contributions made in the course of the calendar year by households, bequests, foundations (both fundraising foundations and endowed foundations), businesses and lotteries. The amount is an underestimate because data on bequests and endowed foundations are known to be incomplete.

 In the Netherlands, approximately 0.7% of its Gross Domestic Product (GDP) is donated to charitable causes (€ 643 billion in 2013)

This low percentage seems to contradict the general impression that the Dutch are generous givers. By comparison: In the United States, the percentage of the GDP given to charitable causes in the period 1965-2013 fluctuated around 2% (Giving USA, 2014). However, the Dutch contribute to public, social and charitable causes primarily by paying taxes, while Americans do so to a far lesser extent, given the considerably lower tax burden in the United States. Furthermore, in contrast to ‘Giving In the Netherlands’, ‘Giving USA’ does seem to have a clear image of contributions from bequests and endowed foundations.

Sources of contributions in 2013

Households (money and goods)  € 1,944 million 45%
Bequests  € 265 million 6%
Foundations: Fundraising foundationsEndowed foundations € 106 million€ 184 million 2%4%
Corporations (gifts and sponsoring) € 1,363 million 31%
Lotteries € 494 million 11%
Total € 4,356 million 100%

The figures for households and corporations are estimates based on representative samples and generalized to the entire population (n = 1,505 and n = 1,164, respectively). The figures relating to bequests and foundations (fundraising and endowed foundations) are based on archival records. Since these available archival records are far from complete, we do not make generalizations to the entire sector for bequests and foundations, resulting in an underestimation being based only on information available to us.

Figures on bequests are taken from the Central Bureau of Fundraising (CBF), to which national fundraising foundations submit financial statements regarding their received contributions. 196 of 584 CBF-registered fundraising foundations reported bequests. Far from all fundraising foundations report their income to the CBF, churches and nonprofit organizations such as hospitals, museums and educational institutions for example do not. Therefore, the total amount donated through bequests is likely to be much higher than reported.

The figures on fundraising foundations are derived from the CBF as well. In total, 516 fundraising foundations contributed €3,097 million to good causes in 2013. The contributions of fundraising foundations as mentioned in the table above (€106 million) consists only of ‘income from investments’. The remaining income – such as fundraising among the Dutch population, and the commercial sector – are only included in figures from the respective chapters (households, corporations) in order to prevent double counting.

An issue for concern in our analysis on endowed foundations is the lack of complete data on grant making by this group of interest. It remains unknown how many endowed foundations there are, what they contribute as a group and what their combined assets are. There are 810 endowed foundation registered with a national data archive on philanthropy called ‘Kennisbank Filantropie’, through which they were asked to fill out an online questionnaire. The figures are based on the resulting sample of 141 endowed foundations that took the time and effort to report about their contributions. However, these foundations constitute only a small proportion of the total number of charitable endowed foundations in de Netherlands, since many foundations operate anonymously.

Six national permanent and semi-permanent gambling and lottery license holders support charitable causes with part of their proceeds. Since 2004, de BankGiroloterij N.V., de VriendenLoterij N.V. (formerly Sponsor Bingo Loterij) and De Nationale Postcode Loterij N.V. are classified under the N.V. Holding Nationale Goede Doelen Loterijen. The other three license holders are Stichting de Nationale Sporttotalisator (De Lotto), Sportech B.V. and Samenwerkende Non-profit Loterijen (SNL). Figures used in Giving In the Netherlands were derived from the annual reports of these license holders.

 

Recipient organizations in 2013

million € Percentage
Religion 977 22
International aid 578 13
Sports and recreation 554 13
Public/social benefit 547 13
Health 535 12
Environment, nature en animals 356 8
Other (not specified) 321 7
Culture 281 6
Education and research 208 5
Totala 4,356 100%

a All figures are rounded off. This may lead to a discrepancy between the sum of the sub-categories and the total amount displayed.

 In 2013, the Dutch donated by far the highest amount to religion (€806 million). Education and research remains the smallest sector in terms of charitable contributions (5%).

 

Sources and recipient organizations in 2013

The total amount donated by households, individuals (bequests), both fundraising and endowed foundations, businesses/corporations and lotteries to public or social causes is subdivided as follows:

House-holds a Bequests Foundations b Corpo-rations a Lotteries Total %
(€x million) FF EF Total
Religion 787 6 2 4 6 177 977 22
Health 213 83 24 23 48 155 36 535 12
International aid 304 61 15 16 31 67 115 577 13
Environment/nature/ animals 150 42 20 6 26 47 91 356 8
Education/ research 41 1 1 17 18 148 208 5
Culture 57 3 26 52 79 80 63 281 6
Sports/recreation 42 0 0 11 11 433 68 554 13
Public and social benefit 190 70 17 45 62 139 86 547 13
Other (not specified) 160 0 0 9 9 117 35 321 7
Total 1,944 265 106 184 290 1,363 494 4,356 100

a The figures on households and corporations are based on generalizations. That is: The total amount of contributions made by households and corporations in the Netherlands are derived from amounts reported in a sample of the respective groups. For bequests and foundations this is not the case, since the necessary information  needed to make these estimations is missing.

b FF = fundraising foundations; EF = endowed foundations

  •  Households give the highest amount to religious organizations.
  • Bequests primarily benefit health.
  • Fundraising foundations give from their own resources (investments), particularly to health and international aid.
  • Culture is an important sector for endowed foundations.
  • Sports and recreation is the favored sector of choice by businesses and corporations.
  • The lotteries supporting good causes give most of their money to international aid and environment, nature and animals.

 

 

Volunteer work in 2013/2014

In 2014, 37% of the population had performed unpaid volunteering activities for an organization in the preceding year.
  • Sports associations and religious organizations attract the highest amount of volunteers.
  • Volunteers spent an average of 18 hours per month on their volunteer work.
  • Most volunteers perform managerial tasks (26%), do chores (20%), do office work and administration (18%), give advice and training (17%) or offer transportation (14%).
  • There is an increased likelihood of finding volunteers among the elderly, parents, the religious, those who attend church regularly and the higher educated. People with a full time employment and those living in one of the three largest Dutch cities volunteer less often.

II – Trends 1995-2013

Total amounts donated, 1995-2013 (Million €)a

1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013
2,279 2,164 3,426 3,614 4,925 4,379 4,562 4,708 4,255 4,356

a Due to applied corrections, figures differ slightly from previous editions of ‘Giving in the Netherlands’.

  • After a period with an upward trend starting in 2005, 2009 commenced a downward trend in total contributions to good causes. In 2013, we see total giving bounce back with a 2,3% increase compared to 2011.
  • It is important to note that trends should be interpreted with caution due to incomplete data on bequests and contributions of endowed foundations.

Giving as percentage of the Gross Domestic Product (GDP) 1995-2013a

 

Billion €
1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013
GDP 324 363 413 476 506 541 609 617 643 643
Total giving 2,3 2,2 3,4 3,6 4,9 4,4 4,6 4,7 4,3 4,4
Donations % GDP 0,7 0,6 0,8 0,8 1,0 0,8 0,8 0,8 0,7 0,7

a Due to applied corrections, figures differ slightly from previous editions of ‘Giving in the Netherlands’.

  • As a percentage of the Gross Domestic Product, donations have hovered around 0.8% since 1995. From 2003 onwards there is a downward trend.
  • Again, trends should be interpreted with caution because of incomplete data on bequests and contributions of endowed foundations.

Sources of contributions 1995-2013 (in millions of €) a,b

Million €
1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013
Households 1,419 1,121 1,414 1,788 1,899 1,854 1,945 1,938 1,829 1,944
Corporations 610 693 1,466 1,359 2,271 1,513 1,639 1,694 1,378 1,363
Lotteries -,- -,- -,- -,- 369 396 394 461 498 494
Foundations 163 214 329 237 196 431 339 387 294 290
Bequests 87 135 213 231 189 182 240 232 256 265
Total 2,279 2,163 3,422 3,615 4,924 4,376 4,557 4,712 4,255 4,356

a Due to applied corrections to the figures on households, corporations, lotteries, foundations and bequests, figures differ slightly from previous editions of ‘Giving in the Netherlands’.

b The figures on households and corporations are based on generalized numbers. That is: The total amount of contributions made by households and corporations in the Netherlands are derived from amounts reported in a sample of the respective groups. For bequests and foundations, this is not the case, since the necessary information  needed to make these estimations is missing.

Households

  • In 2013, Households donated a total of €1,944 million in money and goods. This amount exceeds that of 2011 (€1,829 million) with 6%. Adjusted for inflation, the value of gifts and goods donated by households has increased with 1,2% since 2011. Household giving represents 0.3% of GDP and 0,67% of household consumption expenditure in  2013

Bequests

  • The amount of income from bequests as reported by fundraising foundations in their financial statements has risen sharply since 1995.

Foundations

  • The figures are based on the sum of contributions from equity earnings of a non-representative group of endowed foundations (n=141) and the contributions from 448 fundraising foundations. It is difficult to make definitive statements about trends on contributions by foundations because the data concern only a small group of endowed foundations and the figures for the years 1995-2013 are calculated in different ways.

Corporations

  • The figures on contributions by corporations through sponsoring and gifts resemble those of 2011. According to our estimations, we see a slight decrease in sponsoring and a slight increase in making gifts, compared to 2011. In 2011, we reported a decline of contributions by corporations compared to 2009. In 2013 however, this decline seems to have halted. Contributions from corporations remain an important source of income for the different sectors.

 

Lotteries

  • Charitable contributions by lotteries have seen a strong increase in recent years. We do see a minor decline of contributions in 2013 compared to 2011, mainly caused by a decrease in contributions from the Lotto.

 

Recipient sectors 1995-2013

Trends in contributions to the different recipient sectors in terms of total amounts (in € million) and relative ranking (1-8)a,b

1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013
Religion 587 (1) 511 (1) 490 (4) 750 (1) 938 (1) 772 (1) 1,001 (1) 892 (1) 806 (1) 977 (1)
Health 411 (2) 290 (4) 640 (1) 398 (4) 580 (4) 467 (5) 468 (5) 629 (3) 471 (5) 535 (5)
International aid 361 (3) 299 (3) 542 (3) 531 (3) 480 (6) 756 (2) 561 (4) 576 (4) 564 (3) 578 (2)
Environment/ nature/animals 204 (6) 183 (6) 309 (6) 251 (7) 309 (7) 356 (6) 376 (7) 438 (7) 378 (6) 356 (6)
Education/ research
58 (8) 83 (8) 232 (7) 125 (-) 301 (8) 277 (8) 295 (8) 285 (8) 150 (8) 208 (8)
Culture 83 (7) 87 (7) 165 (8) 335 (6) 610 (3) 326 (7) 386 (6) 453 (6) 293 (7) 281 (7)
Sports/recreation 246 (5) 410 (2) 579 (2) 686 (2) 930 (2) 686 (3) 687 (3) 715 (2) 702 (2) 554 (3)
Public and social benefit 283 (4) 257 (5) 422 (5) 373 (5) 554 (5) 519 (4) 572 (2) 469 (5) 538 (4) 547 (4)
Other (not specified) 46 (-) 44 (-) 47 (-) 158 (8) 223 (-) 220 (-) 216 (-) 251(-) 349 (-) 321 (-)
Total* 2,279 2,164 3,426 3,614 4,925 4,379 4,562 4,708 4,251 4,356

a Due to differences in rounding off, the total amounts can deviate slightly from the total amounts given in the previous table.

b Due to applied corrections to the figures on households, corporations, lotteries, foundations and bequests, figures differ slightly from previous editions of ‘Giving in the Netherlands’.

Ranking of recipient sectors, averaged over the period 1995 – 2013
1. Religion
2. Sports and recreation
3. International aid
4. Health
5. Public and social benefit
6. Environment, nature and animals
7. Culture
8. Education and research

Over the 18 year period, religion receives the highest contribution and education and research receive the lowest contributions.

Volunteer work 2002-2014

2002

2004

2006

2008

2010*

2012*

2014*

Volunteer work

46%

41%

42%

45%

41%

38%

37%

* Estimates include non-native Dutch citizens.

  • The declining trend in volunteering rates we reported in the previous ‘Giving in the Netherlands’ books seems to have persisted in 2014.
  • In the past two years, the average hours a volunteer spends volunteering per month decreased slightly, from 21 to 18 hours.
  • During the past years, volunteers seems to have specialized by dedicating themselves to a smaller number of tasks. The share of volunteers that is working on three or more tasks declined from about a half of all volunteers in 2002 to about a quarter of all volunteers in 2014.
  • The dynamics in volunteering seems to have worn off a little. In the past two years, less people started volunteering. Those that do start volunteering tend to spend significantly less time on volunteering than the loyal, continuous volunteers. There seems to be a positive relationship between continuous volunteering and experienced social pressure. Those who perceive stronger social pressure tend to be the more persistent volunteers and remain more loyal to the organization they volunteer for.

III – Highlights

Households/individuals
  • A total of 1,505 households were surveyed in the 2012 wave of the Giving in the Netherlands Panel Survey (GINPS). 1,320 of the respondents also participated in the GINPS 2010 wave.
  • The average amount donated in money and in kind by Dutch households in the calendar year 2013 was €204, virtually identical to that of 2011. In 2013, 88% of Dutch households gives to charitable organizations with an average of €232 over the entire calendar year. 47% gives in kind, with an average value of €113. While we see an increasing popularity of giving money and goods to charitable causes, the average amount these households contribute seems to decrease.
  • Households most often give to health (74%), followed by environment, nature and animals (44%) and international aid (41%). While less than a third of Dutch households (29%) give to religion, it receives the highest amount. Donations to religion represent 43% of the total amount donated by Dutch households. Organizations which provide international aid and health organizations receive 12% and 13% of the total amount of household gifts, respectively.
  • Although the traditional door-to-door collection remains the most popular way to donate money in the Netherlands, its popularity decreased. While in 2005 90% of households donated to a door-to-door collection, in 2013 this declined to 78%. Many other ways to donate also decreased in popularity since 2011. New forms of giving such as giving through text messaging or via the internet barely gained popularity during the past years.
  • Similar to the previous ‘Giving in the Netherlands’ edition, we find that giving behavior of Dutch households follows the 80/20 rule: 20% of the households is responsible for 80% of the total amount donated. There are large differences in giving behaviors between households. 12% percent of Dutch households does not donate to charitable causes and over a quarter of the households (26%) donated less than €25 in 2013. At the other end of the spectrum, one in every seventy (1,5%) Dutch give more than €2000. This group accounts for over a quarter (27%) of the total amount of charitable contributions in the Netherlands. A substantial proportion of these large donations comes from the wealthy Dutch.
  • Differences between households in giving behavior are associated with socioeconomic characteristics such as age (older people donate more), education (higher educated donate more), income and wealth (the more financial resources, the higher the donated amounts) and religion (religious Dutch, especially Protestants, donate more). Households seem to do more charitable giving as they hold more altruistic values and as the frequency with which they are asked for donations increases.
  • Although total charitable giving appears to be relatively stable across time, we find an interesting dynamic underlying the surface. Many households remain loyal donors to organizations operating in health, while the other sectors are comprised out of more incidental than loyal donors.
Giving by Corporations
  • In 2013, 70% of the corporations gave money by donating directly or sponsoring activities organized by nonprofit organizations. This percentage is similar to that of two years ago, when 71% of corporations donated directly or sponsored activities organized by nonprofit organizations. According to our estimations, the relative proportion of sponsoring decreased and the proportion of corporations giving increased, compared to 2011. However, we do not see a further decline as seen in 2011 compared to 2009. Corporations remain an important source for charitable contributions in the array of sectors.
  • Sports and recreation is the most popular sector for sponsoring and gift making among corporations. Simultaneously, we find that in absolute terms, sports and recreation received less money than previous years and the breadth of the support for this sector in our sample also decreased. The percentage of corporations that give to or sponsor activities in sports and recreation is lower than previous editions of ‘Giving in the Netherlands’
  • It seems that corporations do not utilize philanthropy strategically. A vast majority of the corporations does not have a specific giving policy, and only a small group of corporations communicates about their philanthropic activities to internal or external parties. Corporations that do utilize a charitable giving policy strategy operate more ‘strategically’: they communicate more often, but also tend to give higher amounts to charitable causes.
  • Corporations that sponsor and/or give mostly do so to a limited number of sectors.
  • Sponsoring and donating man hours remains an important way of giving by corporations in 2013 and seems to have steadily gained in popularity over the past years. Corporations thus explicitly aim to promote their employees’ active participation in societal projects.
  • Although corporations seem to be increasingly aware of the concept of corporate social responsibility (CSR), we do not see an increase in corporations engaging in CSR. Many corporations have initiated new CSR initiatives, but these do not seem to displace sponsoring or gift making.


Specials

 

The multiplier in the ‘Geefwet’ and giving to culture

Giving in the Netherlands 2015 contains one ‘special’. Since January 2012, gifts to cultural nonprofit organizations are 125% tax deductible, instead of the 100% deductibility of gifts to nonprofit organizations in other sectors. The Dutch government seeks to encourage donations to cultural nonprofits. In this chapter, we report on changes in the charity law (the ‘Geefwet’) and changes in giving to cultural nonprofit organizations.

  • Government cut backs on the cultural sector have necessitated a diversification of income sources for cultural nonprofit organizations.
  • It is too early to assess the effect of the tax law reform with sufficient accuracy.
  • Of all households, 11% gave to cultural nonprofit organizations, similar to 2011.
  • Wealthy Dutch households give more often (36%) to cultural nonprofit organizations than the average households do (11%), and also gives more (median gift of €100, compared to €8).
  • The proportion of wealthy households planning to give more to cultural nonprofit organizations the next year is lower than the proportion of wealthy households intending to give more.
  • The multiplier may be able to increase giving to cultural organizations. Among wealthy households that give to cultural nonprofit organizations, awareness of the multiplier is positively related to the intention to give more. About half of wealthy households do not know how the multiplier works. Raising awareness about the multiplier among donors could therefore increase the number and size of gifts to cultural nonprofit organizations.

 

References

Giving USA 2014. The annual report on philanthropy for the year 2013. Indianapolis: Indiana  University, Lilly Family School of Philanthropy.

Schuyt, Th.N.M. (Ed.), (2001). Geven in Nederland 2011: giften, legaten, sponsoring en vrijwilligerswerk. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.

‘Giving in the Netherlands’ is published biennially by the Center for Philanthropic Studies at VU University Amsterdam.

Email: gin.fsw@vu.nl or visit www.giving.nl

[1] In contrast to donation behavior, volunteer work has been measured for the years 2013/2014. In June 2014, respondents were asked if they had performed volunteer work in the previous 12 months.

[2] Contrary to charitable contributions, volunteering was measure biyearly in years 2002, 2004, 2006, 1008, 2012 and 2014. In the month May of 2002, 2004, 2006, 2008, 2010, 2012 and 2014, respondents were asked whether they volunteered or performed unpaid work in the past 12 months.

Leave a comment

Filed under Center for Philanthropic Studies, data, foundations, household giving, philanthropy

Wat zegt het CBF-Keur voor goede doelen?

Het Financieel Dagblad besteedt een lang artikel aan de betekenis van het CBF-Keur voor goede doelen naar aanleiding van de vraag: “Waar blijft mijn gedoneerde euro?” Het “keurmerk en boekhoudregels zijn geen garantie voor een zinvolle besteding”, volgens de krant. Verderop in het artikel staat mijn naam genoemd bij de stelling dat het CBF-Keur ‘fraude of veel te hoge kosten niet uitsluit’ en zelfs dat het ‘nietszeggend’ zou zijn. Inderdaad zegt het feit dat een goed doel over het CBF-Keur beschikt niet dat de organisatie perfect werkt. Het maakt fraude niet onmogelijk en dwingt organisaties ook niet altijd tot de meest efficiënte besteding van beschikbare middelen. In het verleden zijn misstanden bij verschillende CBF-Keurmerkhouders in het nieuws gekomen, die bij sommige organisaties hebben geleid tot intrekking van het keurmerk.

Maar helemaal ‘nietszeggend’ is het CBF-Keur ook weer niet. Zo denk ik er ook niet over. Het CBF-Keur zegt wel degelijk wat. Voordat een organisatie het CBF-Keur mag voeren moet het een uitgebreide procedure door om aan eisen te voldoen aan financiële verslaggeving, onafhankelijkheid van het bestuur, kosten van fondsenwerving, en de formulering van beleidsplannen. Dit zijn relevante criteria. Zij zorgen ervoor dat je als donateur erop kunt vertrouwen dat de organisatie op een professionele manier werkt. Het CBF-Keur zegt alleen niet zoveel over de efficiëntie van de bestedingen van een goed doel. Veel mensen denken dat wel, zo constateerden we in onderzoek uit 2009.

Het is lastige materie. Garantie krijg je op een product dat je koopt in de winkel, waardoor je het terug kunt brengen als het niet functioneert of binnen korte tijd stuk gaat. Zulke garanties zijn moeilijk te geven voor giften aan goede doelen. Een dergelijke garantie zou je alleen kunnen geven als de kwaliteit van het werk van goede doelenorganisaties gecontroleerd kan worden en er een minimumeis voor te formuleren valt. Dat lijkt mij onmogelijk. Het CBF-Keur is niet zoiets als een rijbewijs dat je moet hebben voordat je een auto mag besturen. De markt voor goede doelen is vrij toegankelijk; iedereen mag de weg op. Sommige goede doelen hebben een keurmerk, maar dat zegt vooral hoeveel ze betaald hebben voor de benzine, in wat voor auto ze rijden en wie er achter het stuur zit. Het zegt nog niet zoveel over de hoeveelheid ongelukken die ze ooit hebben mee gemaakt of veroorzaakt, en of dat de kortste of de snelste weg is.

Vorig jaar stelde de commissie-De Jong voor om een autoriteit filantropie in te stellen, die organisaties zou gaan controleren voordat ze de markt voor goede doelen op mogen. Er zou een goede doelen politie komen die ook op de naleving van de regels mag controleren en boetes mag uitdelen. Dat voorstel was te duur voor de overheid. Voor de goede doelen was het onaantrekkelijk omdat zij aan nieuwe regels zouden moeten gaan voldoen. Bovendien was het niet duidelijk of die nieuwe regels ook echt het aantal ongelukken zou verlagen. Het is op dit moment überhaupt niet duidelijk hoe goed de bestuurders van goede doelen de weg kennen en hoeveel ongelukken ze maken. Een beter systeem zou moeten beginnen met een meting van het aantal overtredingen in het goede doelen verkeer en een telling van het aantal bestuurders met en zonder rijbewijs. Vervolgens zou het goed zijn om een rijopleiding op te zetten die iedereen die de markt op wil kan volgen en in staat stelt de vaardigheden op te doen waarover elke bestuurder moet beschikken. Ik hoop dat het artikel in het Financieel Dagblad tot een discussie leidt die dit duidelijk maakt.

Intussen heeft het CBF gereageerd met de verzekering dat er gewerkt wordt aan uitwerking van richtlijnen voor ‘reactief toezicht op prestaties’. Ook de VFI, branchevereniging voor goede doelen, kwam met een reactie van die strekking. Dat is goed nieuws. Maar die nieuwe richtlijnen zijn er nog lang niet. In de tussentijd geeft het CBF keurmerken af en publiceren de Nederlandse media – die na Finland de meest vrije ter wereld zijn – af en toe een flitspaalfoto van wegmisbruikers. Dat lijkt voldoende te zijn om het goede doelen verkeer zichzelf te laten regelen en de ergste ongelukken te voorkomen. Want die zijn er maar weinig.

Leave a comment

Filed under charitable organizations, fraud, household giving, impact, incentives, law, philanthropy, policy evaluation, politics

The Fishy Business of Philanthropy

Breaking news today: the essential amino acid L-Tryptophan (TRP) makes people generous! Three psychologists at the University of Leiden, Laura Steenbergen, Roberta Sellara, and Lorenza Colzato, secretly gave 16 participants in an experiment a dose of TRP, solved in a glass of orange juice. The 16 other participants in the study drank plain orange juice, without TRP. The psychologists did not write where the experiment was conducted, but describe the participants as 28 female and 4 male students in southern Europe – which is likely to be Italy, given the names of the second and third authors. Next, the participants were kept busy for 30 minutes with an ‘attentional blink task that requires the detection of two targets in a rapid visual on-screen presentation’. After they had completed a task, they were given a reward of €10. Then the participants were given an opportunity to donate to four charities: Unicef, Amnesty International, Greenpeace, and World Wildlife Fund. And behold the wonders of L-Tryptophan: the 0,8 grams of TRP more than doubled the amount donated from €0.47 (yes, that is less than five percent of the €10 earned) to €1.00. Even though the amount donated is small, the increase due to TRP is huge: +112%.

Why is this good to know? Why does tryptophan increase generosity? Steenbergen, Sellara and Colzato reasoned that TRP influences synthesis of the neurotransmitter serotonin (called 5-HT), which has been found to be associated with charitable giving in several economic experiments. The participants in the experiment were not tested for serotonin levels, but the results are consistent with these previous experiments. The new experiment takes us one step further into the biology of charity, by showing that the intake of food enriched by tryptohan is making female students in Italy more generous to charity.

Tryptophan is an essential amino acid, commonly found in protein-rich foods such as chocolate, eggs, milk, poultry, fish, and spinach. Rense Corten, a former colleague of mine, asked on Twitter: how much spinach the participants would have had to digest to obtain a TRP intake that would make them give an additional €1 to charity? Just for fun I computed this: it is about 438 grams of spinach. Less than the 1161 grams of chocolate it would take to generate the same dose of TRP as the participants got in their orange juice.

The fairly low level of giving in the experiment is somewhat surprising given the overall level of charitable giving in Italy. According to the Gallup World Poll some 62% of Italians made donations to charity in 2011, ranking the country 14th in the world. But wait – Italians eat quite some fish, don’t they? If there is a lot of tryptophan in fish, Italians should be more generous than inhabitants of other countries that consume less fish. Indeed the annual fish consumption per capita in Italy (some 25 kilograms, ranking the country 14th in the world) is much higher than in the Czech Republic (10 kilograms; rank: 50), and the Czech population is less likely to give to charity (31%, rank: 30).

Of course this comparison of just two countries in Europe is not representative of the any part of the world. And yes, it is cherry-picked: an initial comparison with Austria (14 kilograms of fish per year, much less than in Italy) did not yield a result in the same direction (69% gives, more than in Italy). But lining up all countries in the world for which there are data on fish consumption and engagement in charity does yield a positive correlation between the two. Here is the excel file including the data. The relationship is modest (r = .30), but still: we now know that inhabitants of countries that consume more fish per capita are somewhat more likely to give to charity.

fishconsumption_givingtocharities

Leave a comment

Filed under experiments, household giving, methodology, philanthropy

Five challenging questions on philanthropy

The recent success of the Ice Bucket Challenge for ALS across the world raises numerous questions on philanthropy. In this post I give some background information to answer five of these questions.

 

1. Where will it end?

It is hard to predict how much money will be raised for ALS through the Ice Bucket Challenge. Some two weeks after the campaign really took off it has raised more than £100 million according to this UK source.  The growth of donations to the ALS Association in the US now shows signs of decline, suggesting that the campaign is losing energy.

IceBucket_graph

Source: Tweet by Ethan O. Perlstein, August 29, 2014

If the S-shape in the graph above continues, total donations to the ALS Association in the US could reach $120 million.

IceBucket_graph_extra

 

2. Will other charities lose from the challenge?

It is often assumed that donors think about donations from a fixed annual budget: a dollar donated to the ALS Association cannot go to other charities. From this perspective, the Ice Bucket Challenge would come at the expense of other charities. However, it is also possible that the campaign does not affect other charities. There are many examples of campaigns that have not decreased amounts to other charities. In the Netherlands, the success of the Alpe d’Huzes bike rides against cancer has increased the amounts donated to the Dutch Cancer Society, while other health charities on average do not seem to have lost. Also for the Cancer Society itself the success of the bike ride has not come at the expense of regular fundraising campaigns, until questions were asked about the ‘no overhead costs’ policy promoted by the organizers of the event.

Also there is the possibility that people will donate more to health charities (or charities in general) because they become more aware of the need for donations. When I was nominated for the challenge by my wife my response was to donate to the Rare Diseases Foundation (ZZF), a Dutch foundation supporting research on a variety of rare diseases. My best bet is that the Ice Bucket Challenge is a fortuitous fundraising event that does not come at the expense of donations to other charities.

 

3. Is the success of the Ice Bucket Challenge ‘fair’ given the relative rarity of ALS as a disease?

Looking at all deaths in the course of a year, ALS is a relatively rare cause of death, as US data from the CDC show. Fi Douglas made a comparison with amounts donated, showing that donations do not seem to be directed towards the most lethal diseases.

diseases_donations

Source: Tweet by Fi Douglas, August 23, 2014

In a paper I published back in 2008, I compared donations to charities fighting groups of diseases and the number of deaths that these diseases cause. Giving in Netherlands to health charities seems more needs-based. It should be noted that the relatively high donations to charities fighting diseases of the nervous system is not due to the Netherlands ALS association, but mainly to other health charities.

Fundraising_Income_Needs_Netherlands_2008

 

4. What is the effectiveness of donations to the ALS Association?

When people think about the effectiveness of donations, they often look for financial information about revenues and expenses. These numbers have limited value, but let’s look at them for what they are worth. According to its annual report, the Netherlands ALS association raised €6.5 million in 2013 and spent about €7 million on research, dipping into its endowment. The costs of fundraising approached €0.5 million, a relatively low proportion relative to the ALS Association in the US (ALSA). The ALSA annual report tells us the association spent $7 million on research in 2013, and $3.6 million on fundraising, having raised a total of $29 million. One could say fundraising in the US is less effective, more difficult, or simply more expensive than in the Netherlands.

However, these numbers tell us nothing about the effectiveness of Ice Bucket Challenge donations. Their effectiveness depends completely on how the millions that are raised will be spent. From my limited knowledge on ALS it seems that the development of treatments or drugs against the disease is not on the verge of a breakthrough. Even though it would be premature to expect an effective ALS treatment any time soon, the sheer size of the amounts donated now will enable researchers to make some big steps. Now the stakes have been raised, donors may expect a well thought-through strategy of the ALS associations to spend the money in a responsible manner. The challenge for the ALS associations across the world is to manage donor expectations: to carefully communicate the uncertainty inherent in the development of medical innovations while avoiding disappointment and anger among donors expecting quick results.

Moreover, some have questioned the utility of health research charities relative to other charities, saying that there are more effective ways to spend donations. In the Netherlands this opinion was expressed by my colleague from Rotterdam, Kellie Liket, in one of the major national newspapers, De Volkskrant. Some of the responses to this op-ed piece have identified the same substitution logic that we saw above; a logic that can be questioned. More importantly, the opinion depends on the assumptions made about what counts towards the ‘effect’ of a donation. If we count lives saved per dollar contributed, medical research does not have a strong position in the debate. We can save many more lives by donating to improve health and living conditions in developing countries, where life is much less expensive to begin with. The same $100 buys more health in a poorer country, all else being equal. But this is not the health of people we know, or the health of loved ones who have suffered from a disease. It is our greater empathy for people close to us that makes us donate more readily to certain causes than others.

 

5. Why should we give to a certain cause or organization?

Perhaps the most fundamental question raised by the Ice Bucket Challenge is a moral one. While research on philanthropy may show that we give out of compassion for people we know, there are many other reasons for people to give to charity. The joy of giving, aversion of guilt, being asked to give or seeing someone else give, the desire to obtain prestige, or simply an unexpected windfall or a ray of sunshine can motivate people to give. What we think of these circumstances and reasons is a different matter. The wisdom on the ethics of giving is much older than the 120 years of empirical research on philanthropy since Thorstein Veblen’s description of donations by the late 19th century New York elite as forms of conspicuous consumption. In the 12th century, Maimonides described eight levels of charity. Giving in response to a request is lower than anonymous giving; the highest form of giving would make recipients self-reliant and their dependence on charity disappear. Because of its largely public nature, the Ice Bucket Challenge can be placed on the lower rungs of Rambam’s Golden Ladder of Charity; but you can choose your favorite manner of donating in response to the challenge. And who knows: in the very long run, even your grudgingly accepted challenge and public donation may contribute to a cure for ALS – making victims of the disease less dependent on the charity of their loved ones.

4 Comments

Filed under altruism, charitable organizations, household giving, philanthropy, psychology, trends

VU University Amsterdam is seeking applications for a fully funded PhD dissertation research position on ‘Philanthropic Crowdfunding for the Cultural Heritage Sector’

The PhD project will focus on characteristics of individual crowdfunders and of crowdfunding projects that influence donation behavior. Specifically, the research investigates the effects of online context characteristics on motivations and giving behavior of crowdfunders as well as the organizational arrangements in which crowdfunding campaigns are embedded. The central question of this research project is: which crowdfunders’ or project characteristics affect donation behaviour and will contribute to more effective donation-based crowdfunding projects?

 

Tasks

The PhD student is expected to:

• Collaborate in a multidisciplinary research team;

• Organize large scale field experiments;

• Analyze behaviour in crowdfunding projects with multiple quantitative research methods;

• Write articles for international peer reviewed scientific journals;

• Write a PhD thesis;

• Contribute to some teaching tasks of the Department.

 

Requirements

• MSc in social and/or behavioral sciences with a focus on organizational and/or philanthropic     studies;

• Strong interest in field experiments;

• The PhD research candidate needs to be proficient in spoken and written English.

 

Further particulars

Job title:  PhD-position Organization Science ‘Philanthropic Crowdfunding for the Cultural Heritage Sector’

Fte: 0.8-1.0

VU unit: Faculty of Social Sciences
Vacancy number: 14127
Date of publication: April 3, 2014
Closing date: April 24, 2014

 

The initial appointment will be for 1 year. After satisfactory evaluation of the initial appointment, it can be extended for a total duration of 4 years. The candidate will participate in the PhD programme of the Faculty of Social Sciences. The research will be supervised by Prof. Dr. Marcel Veenswijk, Dr. Irma Borst (Organization Sciences) and Prof. Dr. René Bekkers (Center for Philanthropic Studies).

 

The preferred starting date is the 1st of June 2014 and no later than September 2014. You can find information about our excellent fringe benefits of employment at www.workingatvu.nl like:

• remuneration of  8,3% end-of-year bonus and  8% holiday allowance;

• a minimum of 29 holidays in case of full-time employment;

• generous contribution (70%) commuting allowance based on public transport;

• discounts on collective insurances (healthcare- and car insurance).

 

Salary

The salary is € 2083,00 gross per month in the first year, increasing to € 2664,00 (salary scale 85) in the fourth year based on full-time employment.

 

About the VU Amsterdam Faculty of Social Sciences

VU University Amsterdam is one of the leading institutions for higher education in Europe and aims to be inspiring, innovative, and committed to societal welfare. It comprises twelve faculties and has teaching facilities for 25.000 students.

The Faculty of Social Sciences (FSS) is one of the larger faculties of the VU-University. Over 2700 students and more than 300 employees are engaged in teaching and research on social-science issues. The faculty has 5 bacherlor- and 7 masterprogramme’s, which are characterized by their broad and often multidisciplinary character.

 

The department of Organization Sciences focuses on the processes and phenomena that result in effective and efficient functioning of organizations. Among the topics studied are entrepreneurship, innovation, university-industry cooperation and valorization of research (results). For this specific research project, the department of Organization Sciences and the Center for Philanthropic Studies received a grant from the Netherlands Organization for Scientific research (NWO).

For additional information, please contact Dr. Irma Borst (e-mail: w.a.m.borst@vu.nl), Prof. Dr. Marcel Veenswijk (e-mail: m.b.veenswijk@vu.nl) or Prof. Dr. René Bekkers (e-mail: r.bekkers@vu.nl)

 

Application

Applicants are requested to write a letter in which they describe their abilities and motivation, accompanied by a curriculum vitae and one or two references. The written applications, mentioning the vacancy number in the e-mail header or at the top left of the letter and envelope, should be submitted before April 24, 2014 to:

VU University Amsterdam
Faculty of Social Sciences
to the attention of Mrs. Dr. J.G.M.Reuling, managing director
De Boelelaan 1081
1081 HV Amsterdam, The Netherlands

Or preferably by e-mail: vacature.org.fsw@vu.nl

Leave a comment

Filed under Center for Philanthropic Studies, crowdfunding, economics, experiments, household giving, incentives, philanthropy

Valkuilen in het nieuwe systeem van toezicht op goededoelenorganisaties

Deze bijdrage verscheen op 27 januari op Filanthropium.nl.
Dank aan Theo Schuyt voor commentaar op een eerdere versie van dit stuk en aan Sigrid Hemels en Frans Nijhof voor correcties van enkele feitelijke onjuistheden. PDF? Klik hier.

De contouren van het toezicht op goededoelenorganisaties in de toekomst worden zo langzamerhand duidelijk. Het nieuwe systeem is een compromis dat op termijn veel kan veranderen, maar net zo goed een faliekante mislukking kan worden.

Hoe ziet het nieuwe systeem eruit?
In opdracht van de Minister van Veiligheid en Justitie heeft de Commissie De Jong een voorstel gedaan voor een nieuw systeem. De commissie stelt voor een Autoriteit Filantropie op te richten die de fondsenwervende goededoelenorganisaties moet registreren. De autoriteit is een nieuw orgaan dat onder het ministerie van Veiligheid en Justitie valt, maar eigen wettelijke bevoegdheden krijgt. Burgers kunnen de registratie online raadplegen. Het uitgangspunt van het nieuwe systeem is een kostenbesparing. Geregistreerde goededoelenorganisaties hoeven geen keurmerk meer aan te vragen en krijgen automatisch toegang tot de markt voor fondsenwerving. Organisaties die geen fondsen werven zoals vermogensfondsen en organisaties die alleen onder hun leden fondsen werven zoals kerken hoeven zich niet te registreren. De autoriteit maakt de huidige registratie van Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) door de belastingdienst grotendeels overbodig.

Winnaars en verliezers
Het nieuwe systeem is een overwinning voor vijf partijen: de vermogensfondsen, de kerken, de bekende goededoelenorganisaties, het Ministerie van Veiligheid en Justitie, en de Belastingdienst. De meeste vermogensfondsen en de kerken winnen in het nieuwe systeem omdat zij niet door de registratie heen hoeven wanneer zij geen fondsen werven onder het publiek. Zij blijven als ANBI’s geclassicificeerd bij de belastingdienst. De bekende goededoelenorganisaties winnen in het systeem omdat zij invloed krijgen op de criteria die voor registratie zullen gaan gelden. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie wint omdat zij volledige controle krijgt over goededoelenorganisaties. De Belastingdienst wint omdat zij afscheid kan nemen van een groot aantal werknemers die voor de registratie van goededoelenorganisaties zorgden.

De verliezers in het nieuwe systeem zijn de huidige toezichthouders op goededoelenorganisaties (waaronder het Centraal Bureau Fondsenwerving , CBF) en de kleinere goededoelenorganisaties. Het CBF verliest klanten omdat de nieuwe registratie gaat gelden als toegangsbewijs voor de Nederlandse markt voor fondsenwerving en daarmee het keurmerk van het CBF (en een aantal andere, minder bekende, keurmerken) overbodig maakt. De autoriteit filantropie krijgt de mogelijkheid overtreders te beboeten. De Belastingdienst heeft deze mogelijkheid in het huidige systeem niet, zij kan alleen de ANBI-status intrekken. Ook het CBF kan geen boetes innen, maar alleen het keurmerk intrekken.

De criteria waarop potentiële gevers goededoelenorganisaties kunnen gaan beoordelen zijn nog niet geformuleerd. Omdat de kleinere goededoelenorganisaties in Nederland niet of niet goed georganiseerd zijn is het lastig om hun belangen in de autoriteit filantropie een stem te geven. Het gevaar dreigt dat de grotere goededoelenorganisaties de overhand krijgen in de discussie over de regels. Ook is onduidelijk hoe streng de controle gaat worden. De belastingdienst gaat deze controle in ieder geval niet meer doen. De commissie stelt voor dat vooral voorafgaand aan de registratie controle plaatsvindt.

De winst- en verliesrekening voor de burger – als potentiële gever en belastingbetaler – is minder duidelijk. De kosten van de hele operatie zijn niet berekend. De commissie stelt voor dat alle organisaties die zich registreren om toegang te krijgen tot de Nederlandse markt voor fondsenwerving mee gaan betalen. Het ANBI-register telt momenteel zo’n 60.000 inschrijvingen; een deel betreft organisaties die zich in het nieuwe systeem niet meer hoeven te registreren (kerken, vermogensfondsen). Als er 20.000 registraties overblijven kan het nieuwe systeem voor de goededoelenorganisaties aanmerkelijk goedkoper worden. Op dit moment betalen 269 landelijk wervende goededoelenorganisaties voor het CBF-keurmerk. In het huidige systeem worden alle keurmerkhouders gecontroleerd. De autoriteit zal slechts steekproefsgewijs en bij klachten controles uitvoeren.

Gebrekkige probleemanalyse
Het advies vertrekt vanuit de probleemanalyse dat het vertrouwen in goededoelenorganisaties daalt door schandalen en affaires. Deze analyse is niet goed onderbouwd. De publieke verontwaardiging over de salariëring van (interim)managers zoals bij Plan Nederland en de Hartstichting in 2004 en het breken van (onmogelijke) beloften over gratis fondsenwerving zoals bij Alpe D’huZes vorig jaar bedreigen vooral de inkomsten van getroffen organisaties, niet de giften aan de goededoelensector als geheel. Het vertrouwen in goededoelenorganisaties daalt al tijden structureel, zo blijkt uit het Geven in Nederland onderzoek van de Vrije Universiteit en de peilingen van het Nederlands Donateurs Panel.

Vervolgens stelt het advies dat het doel van een nieuw systeem is om het vertrouwen in goededoelenorganisaties onder burgers te vergroten. Dat burgers in vertrouwen moeten kunnen geven door het nieuwe systeem lijkt een legitiem doel. Het is echter de vraag of overheid de imago- en communicatieproblemen van de goededoelensector op moet lossen. We zouden de sector daar immers ook zelf verantwoordelijk voor kunnen houden, zoals in de Verenigde Staten gebeurt. Voor het imago van de overheid en het vertrouwen in de politiek is het echter verstandig de controle op organisaties die fiscale voordelen krijgen waterdicht te maken, zodat er geen vragen komen over de doelmatigheid van de besteding van belastinggeld. Daarnaast is het vanuit de politieke keuze voor de participatiesamenleving verstandig meer inzicht te vragen in de prestaties van goededoelenorganisaties. Als burgers zelf meer verantwoordelijkheid krijgen voor het publiek welzijn via goededoelenorganisaties willen we wel kunnen zien of zij die verantwoordelijkheid inderdaad waarmaken. Dat zou via het register van de Autoriteit Filantropie kunnen.

Nieuw systeem zorgt niet automatisch voor meer vertrouwen
Het is echter de vraag of de burger door het nieuwe systeem ook inderdaad weer meer vertrouwen krijgt in goededoelenorganisaties. Het advies van de Commissie de Jong heeft veel details van het nieuwe systeem nog niet ingevuld. Vertrouwen drijft op de betrouwbaarheid van de controlerende instantie. Die organisatie moet onafhankelijk én streng zijn. Conflicterende belangen bedreigen het vertrouwen. Als de te controleren organisaties vertegenwoordigd zijn in de autoriteit of haar activiteiten kunnen beïnvloeden is zij niet onafhankelijk. Een gebrek aan controle is eveneens een risicofactor voor het publieksvertrouwen, vooral als er later problemen blijken te zijn. Het is belangrijk dat de autoriteit proactief handelt en niet slechts achteraf na gebleken onregelmatigheden een onderzoek instelt.

Blijkbaar is er iets mis met de huidige controle. De probleemanalyse van de commissie de Jong gaat ook op dit punt kort door de bocht. Het advies omschrijft niet hoe de controle op goededoelenorganisaties op dit moment plaatsvindt. De commissie analyseert evenmin wat de problemen zijn in het huidige systeem. Op dit moment gebeurt de controle op goededoelenorganisaties niet door de overheid. De belastingdienst registreert ‘Algemeen nut beogende instellingen’ (ANBI’s), maar controleert deze instellingen nauwelijks als ze eenmaal geregistreerd zijn.

Sterke en zwakke punten van het huidige systeem
In feite heeft de overheid de controle op goededoelenorganisaties nu uitbesteed aan een vrije markt van toezichthouders. Dit zijn organisaties zoals het CBF die keurmerken verstrekken. In theorie is dit een goed werkend systeem omdat de vrijwillige deelname een signaal van kwaliteit geeft aan potentiële donateurs. Goededoelenorganisaties kunnen ervoor kiezen om aan eisen te voldoen die aan deze keurmerken zijn verbonden. Organisaties die daarvoor kiezen willen en kunnen openheid geven; de organisaties die dat niet doen laden de verdenking op zich dat zij minder betrouwbaar zijn. Het systeem werkt als de toezichthouder onafhankelijk is, de controle streng, en de communicatie daarover effectief. Het CBF heeft in de afgelopen jaren echter verzuimd om de criteria scherp te hanteren en uit te leggen aan potentiële donateurs. Het CBF-Keur stelt bijvoorbeeld geen maximum aan de salarissen van medewerkers. Ook bij de onafhankelijkheid kunnen vragen worden gesteld. De grote goededoelenorganisaties zijn met twee afgevaardigden van de VFI vertegenwoordigd in het CBF, en zijn daarnaast in feite klanten die betalen voor de kosten van het systeem. Zij hebben er belang bij de eisen niet aan te scherpen omdat dan de kosten te hoog oplopen.

Twee valkuilen
In het nieuwe systeem dreigen zowel de onafhankelijkheid als de pakkans voor problemen te zorgen. De commissie laat het aan de autoriteit over om te bepalen welke regels zullen worden gehanteerd. Maar wie komen er in die autoriteit? De commissie beveelt aan ‘diverse belanghebbenden (sector, wetenschap, overheid)’ in het bestuur van de autoriteit te laten vertegenwoordigen. Het is echter onduidelijk welke partijen er in de autoriteit precies zitting krijgen, en in welke machtsverhoudingen. Wel is duidelijk dat de autoriteit in eerste instantie uitgaat van het zelfregulerend vermogen van de sector. De goededoelenorganisaties mogen dus zelf met voorstellen komen voor de regels. De commissie legt de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de regels vervolgens bij de overheid, en meer in het bijzonder bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Het is dan de vraag in hoeverre de minister gevoelig is voor de lobby van goededoelenorganisaties.

De commissie stelt ook voor de controle op grond van risicoanalyses uit te voeren en om af te gaan op klachten. Dat kan in de praktijk voldoende blijken te zijn. Het nieuwe systeem neemt echter als uitgangspunt de kosten te minimaliseren. Deze kosten moeten bovendien door de te controleren goededoelenorganisaties worden opgebracht. Zij krijgen er belang bij de controle licht en oppervlakkig mogelijk te maken. Als er onvoldoende controle plaatsvindt, zoals in de Verenigde Staten het geval is, zullen ook geregistreerde organisaties onbetrouwbaar blijken te zijn. Dit is natuurlijk helemaal desastreus voor het vertrouwen.

De commissie de Jong stelt bovendien voor dat alle fondsenwervende goededoelenorganisaties van enige betekenisvolle omvang verplicht geregistreerd worden. Het nieuwe systeem biedt geen zicht op de prestaties van vermogensfondsen en kerken omdat zij onder de belastingdienst blijven vallen. Zij krijgen een voorkeursbehandeling omdat zij geen fondsen werven, of alleen onder leden. Dit is een oneigenlijk argument. Het criterium van algemeen nut betreft niet de herkomst van de fondsen, maar de prestaties. Ook de activiteiten van kerken en vermogensfondsen moeten ten goede komen aan het algemeen nut.

Het middel van verplichte registratie is waarschijnlijk niet effectief in het vergroten van het publieksvertrouwen. Een verplichte registratie heeft geen signaalfunctie voor potentiële donateurs. Als alle goededoelenorganisaties aan de eisen voldoen, zijn ze dan allemaal even betrouwbaar? Dat is niet erg waarschijnlijk. Ofwel de lat wordt in het nieuwe systeem zo laag gelegd dat alle organisaties er overheen kunnen springen, ofwel de lat wordt op papier weliswaar hoog gelegd maar in de praktijk stelt de controle niets voor.

Het zou veel beter zijn de autoriteit een vrijwillig sterrensysteem te laten ontwerpen waarin donateurs kunnen zien hoe professioneel de organisatie is aan het aantal sterren die onafhankelijke controle heeft opgeleverd. Donateurs kunnen dan professionelere organisaties verkiezen, voor zover ze bereid zijn daarvoor te betalen tenminste. Geld werven kost geld, en geld effectief besteden ook. Met een financiële bijsluiter kan de autoriteit filantropie inzichtelijk maken wat de te verwachten risico’s zijn van private investeringen in goededoelenorganisaties. Zo dwingt de markt de goededoelenorganisaties tot concurrentie op prestaties voor het publiek welzijn. Een waarlijk onafhankelijke autoriteit die scherp controleert op naleving van (naar keuze) strenge of minder strenge regels is ook binnen die contouren mogelijk en lijkt mij gezien de maatschappelijke betekenis van de filantropie in Nederland van belang.

2 Comments

Filed under charitable organizations, corporate social responsibility, foundations, fraud, household giving, incentives, law, philanthropy, policy evaluation, politics, taxes, trends, trust