Category Archives: charitable organizations

Philanthropy: from Charity to Prosocial Investment

Contribution to the March 2016 edition of the European Research Network on Philanthropy (ERNOP) newsletter. PDF version here.

Philanthropy can take many forms. It ranges from the student who showed up at my doorstep with a collection tin to raise small contributions for legal assistance to the poor to the recent announcement by Facebook co-founder Mark Zuckerberg and his wife Priscilla Chan of the establishment of a $42 billion charitable foundation. The media focused on the question why Zuckerberg and Chan would put 99% of their wealth in a foundation. The legal form of the foundation allowed Zuckerberg to keep control over the shares without having to pay taxes. Leaving aside the difficult question what motivation the legal form confesses for the moment, my point is that a change is taking place in the face that philanthropy takes.

Entrepreneurial forms of philanthropy, manifesting a strategic investment orientation, become more visible. We see them in social impact bonds, in social enterprises, in venture philanthropy and in the investments of foundations in the development of new drugs and treatments. A reliable count of the prevalence of such prosocial investments is not available, but 2015 was certainly a memorable year: the first Ebola vaccine was produced in a lab funded by the Wellcome Trust and polio was eradicated from Africa through coordinated efforts supported by a coalition of the WHO, Unicef, the Rotary International Foundation, and the Bill and Melinda Gates Foundation.

Of course there are limitations to philanthropy. Some problems are just too big to handle, even for the wealthiest foundations on earth, using the most innovative forms of investments. The refugee crisis continues to challenge the resilience of Europe. NGOs are delivering relief aid in the most difficult circumstances. But these efforts are band aids, as long as political leaders are struggling to gather the will power to solve it together.

The Zuckerberg/Chan announcement revived previous critiques of philanthrocapitalism. Isn’t it dangerous to have so much money in so few hands? Can we rely on wealthy foundations to invest in socially responsible ways? Foundations are the freest institutions on earth and can take risks that governments cannot afford. But the track records of the corporations that gave rise to the current foundation fortunes are not immaculate, monopolizing markets and evading taxes. Wealthy foundations can have a significant impact on society and influence public policy, limiting the influence of governments. It is political will that enables the existence and facilitates the fortune of wealthy foundations. Ultimately, the realization that the interests of the people should not be harmed enables the activities of foundations. Hence the talk about the importance of giving back to society.

The sociologist Alvin Gouldner is famous for his 1960 article ‘The Norm of Reciprocity’, which describes how reciprocity works. He also wrote a second classic, much less known: ‘The Importance of Something for Nothing.’ In this follow-up (1973), he stresses the norm of beneficence: “This norm requires men to give others such help as they need. Rather than making help contingent upon past benefits received or future benefits expected, the norm of beneficence calls upon men to aid others without thought of what they have done or what they can do for them, and solely in terms of a need imputed to the potential recipient.” In a series of studies I co-authored with Mark Ottoni-Wilhelm, an economist from the Lilly Family School of Philanthropy at Indiana University, we call this norm ‘the principle of care’.

With this quote I return to the question about motivation. The letter to their daughter in which Zuckerberg and Chan announced their foundation reveals noble concerns for the future of mankind. It is not their child’s need that motivated them, but the needs of the world in which she is born. This is the genesis of true philanthropy. Pretty much like the awareness of need that the law student demonstrated at my doorstep.

References

Bekkers, R. & Ottoni-Wilhelm, M. (2016). Principle of Care and Giving to Help People in Need. European Journal of Personality.  

Gouldner, A.W. (1960). The Norm of Reciprocity: A Preliminary Statement. American Sociological Review, 25 (2): 161-178. http://www.jstor.org/stable/2092623

Gouldner, A.W. (1973). The Importance of Something for Nothing. In: Gouldner, A.W. (Ed.). For Sociology, Harmondsworth: Penguin.

Wilhelm, M.O., & Bekkers, R. (2010). Helping Behavior, Dispositional Empathic Concern, and the Principle of Care. Social Psychology Quarterly, 73 (1): 11-32.

Leave a comment

Filed under altruism, charitable organizations, foundations, law, philanthropy, principle of care, taxes

De veerkracht van de filantropie

[*]

Deze tekst als pdf downloaden

Burgerkracht, lokale actie, de doe-democratie, de participatiesamenleving: we komen deze termen steeds vaker tegen in de politiek, de media en beleidsstukken van de overheid en adviesorganen. De termen fungeren in een fundamenteel debat over de verdeling van verantwoordelijkheid van burgers en de overheid voor het welzijn van anderen en de samenleving. Het uitgangspunt van deze stukken is de autonome, zelfredzame burger, die geen overheidsregeling nodig heeft om voor zichzelf, de eigen omgeving en de samenleving te zorgen.

Bij dit uitgangspunt past de filantropie, gedefinieerd als vrijwillige bijdragen van geld en tijd aan het algemeen nuttige doelen zoals gezondheid, cultuur, onderwijs, natuur en levensbeschouwing. Die bijdragen komen niet alleen van levende burgers, maar ook van overledenen (via nalatenschappen), van bedrijven, vermogensfondsen, en van goededoelenloterijen. In 2013 ging er in de filantropie in totaal zo’n €4,4 miljard om. In 2011 spraken het kabinet en de sector filantropie af intensiever samen te werken aan de kwaliteit van de samenleving. Door het activerende beleid doet de overheid een groter beroep op vrijwillige bijdragen in de vorm van geld en tijd en neemt de maatschappelijke betekenis van filantropie toe.

In theorie biedt voorziening van maatschappelijke doelen en collectieve arrangementen uit vrijwilligheid een voordeel boven verplichting via belasting of een andere vrijheidsbeperking. Via vrijwillige bijdragen krijgen burgers meer controle over de kwaliteit van de samenleving en kunnen ze daar ook met recht trots op zijn. Burgers dragen liever vrijwillig bij aan maatschappelijke doelen dan via een verplichte belasting of via verplichte maatschappelijke dienstverlening.

De voorkeur voor vrijwillige bijdragen is niet alleen psychologisch in de vorm van een ‘goed gevoel’. Een experiment van Harbaugh, Mayr en Burghart (2007) maakte deze voorkeur zichtbaar door middel van hersenscans van Amerikaanse vrouwen die een grotere activiteit in het ‘genotscentrum’ in de hersenen vertoonden als zij een bedrag aan een goed doel gaven dan wanneer hetzelfde bedrag namens hen door de experimentleiders werd gegeven. Er kan ook voor burgers een materieel voordeel zitten aan vrijwillige bijdragen in de vorm van vrijwilligerswerk. Er is veel onderzoek dat laat zien dat vrijwilligers gelukkiger zijn, grotere sociale netwerken hebben, langer gezond blijven en uiteindelijk langer leven dan maatschappelijk minder betrokken burgers.

Filantropie verhoogt de kwaliteit van leven omdat zij zich richt op de aanpak van maatschappelijke problemen en de realisatie van maatschappelijke idealen. Het besef groeit dat effectieve oplossingen een goede samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers vereisen. Een eenzijdige aanpak van bovenaf door een nationale overheid ligt steeds minder voor de hand. Bijdragen van burgers en bedrijven, in de vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, vrijwilligerswerk, crowdfunding en actieve burgerparticipatie zijn welkom op uiteenlopende gebieden als integratie, cultuur, zorg, veiligheid, natuurbehoud en duurzaamheid.

De aandacht voor filantropie van de overheid is een herontdekking van een rijk verleden. Een mooi historisch voorbeeld is de manier waarop volgens de Amerikaanse journalist Russell Shorto (2005) de bouw van de Walstraat in Nieuw Amsterdam werd gefinancierd. Op Wall Street in New York, waar nu het centrum van het kapitalisme is gevestigd, stond ooit een muur die de inwoners van de stad tegen de indianen, de Engelsen en de Zweden moest beschermen. Omdat er geen overheid was die belasting kon heffen werd de bouw van de wal gefinancierd met vrijwillige bijdragen van de burgers van Nieuw Amsterdam, waarbij van de meer vermogende inwoners een grotere bijdrage werd verwacht. Zij hadden ook meer te verliezen bij een inval. Latere voorbeelden, dichterbij huis, zijn het Vondelpark, de Vrije Universiteit en de grote musea in Amsterdam: voor een groot deel gefinancierd met schenkingen van vermogende particulieren.

Met het beroep op burgers keert de overheid terug naar deze tijden. De omstandigheden zijn in sommige opzichten gelijkaardig. Opnieuw is er grote welvaart in Nederland, die opnieuw zeer ongelijk verdeeld is. Er zijn echter ook grote verschillen. De vraag om vrijwillige bijdragen komt in een tijd waarin burgers gewend zijn aan een overheid die voor hen zorgt. Bovendien komt de vraag in een tijd van economische onzekerheid en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Het beroep op vrijwillige bijdragen vraagt veerkracht van burgers. De Rockefeller Foundation (2015) definieert veerkracht als de capaciteit van mensen, gemeenschappen en instituties om zich voor te bereiden op schokken en langdurige belasting, zich daar tegen te verzetten en ervan te herstellen. Veerkracht komt niet alleen tot uiting in zelfredzaamheid, maar ook in het mobiliseren van hulp en het aanboren van nieuwe hulpbronnen. Het gevoel van gemeenschap, het besef dat je met elkaar meer kunt bereiken dan alleen, en het vertrouwen in anderen helpen daar bij. Deze factoren zijn ook cruciaal voor de filantropie.

De sector filantropie is in Nederland in de afgelopen decennia niet gegroeid vanuit tegenslag en bedreiging. Integendeel. In de jaren ’90 hadden we geen last van crisis en groeide de sector als kool, nog veel harder dan de economie. De sector organiseerde en professionaliseerde zich. Er kwamen brancheverenigingen, gedragscodes, keurmerken, toezichthouders, er kwamen opleidingen en er kwam onderzoek dat de sector filantropie in kaart bracht. Die gehele ontwikkeling vond plaats in het laatste decennium van de jaren ’90 zonder dat er grote problemen waren. De filantropie is groot geworden in een tijd van voorspoed, zonder veel bemoeienis en grotendeels buiten het blikveld van de overheid. Vanuit de betrokkenheid van Nederlanders. Niet zozeer om maatschappelijke problemen op te lossen, maar ook – en misschien wel vooral – om idealen te verwezenlijken. Filantropie is de uiting bij uitstek van de veerkracht van de samenleving. Uit de filantropie van een samenleving blijkt waar burgers om geven, wat zij goede doelen vinden en hoeveel zij ervoor over hebben.

De economische crisis waarin Nederland in 2009 terecht is gekomen heeft een beroep gedaan op de veerkracht van burgers. Het zijn niet zozeer de korte termijn fluctuaties in de hoogte van inkomens, de werkloosheid of het consumentenvertrouwen die samenhangen met de lange termijn trend in het geefgedrag. Het gaat eerder om de economische zekerheid op de lange termijn: de waarde van giften van geld aan goede doelen houdt sinds 1965 gelijke tred met de ontwikkeling van de vermogens van Nederlanders. Sinds 1985 volgt de ontwikkeling in de hoogte van de giften in Nederland vrijwel exact de ontwikkeling in de hoogte van de waarde van onroerend goed.

consumptie_filantropie_onroerendgoed_08_13

Consumptieve bestedingen van huishoudens (nationaal) en totaal vermogen van huishoudens in de vorm van onroerend goed volgens het CBS en de waarde van filantropie door huishoudens volgens Geven in Nederland (niet gecorrigeerd voor inflatie)

De filantropie in Nederland lijkt minder gevoelig te zijn voor economische tegenwind dan die van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar de inkomsten voor goededoelenorganisaties flink daalden in 2008 en 2009 en daarna nauwelijks stegen. Pas in 2012 zagen de goededoelenorganisaties in de VS hun inkomsten weer toenemen. In Nederland bleef het recessie-effect uit tot 2011. Bovendien was het effect beperkt. We zien nu in 2013 weer een stijging van de giften. Dit is opmerkelijk omdat de waarde van onroerend goed in 2013 nog daalde. Ook de betrokkenheid van bedrijven bij goede doelen blijft hoog, ondanks de crisis. Het totaalbedrag aan giften en sponsoring is vrijwel gelijk gebleven.

Ook het overheidsbeleid van de afgelopen jaren heeft voor terugslag gezorgd. De overheid heeft taken gedecentraliseerd naar gemeenten, waardoor een groter beroep wordt gedaan op burgers om voor henzelf en hun naasten te zorgen. In de nieuwe cijfers over vrijwilligerswerk zien we een achteruitgang. In 2010 deed nog 41% vrijwilligerswerk, in 2014 is dat gedaald naar 37%. Ook het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn is gedaald, naar 18 uur per maand. In 2012 was dit nog 21 uur. We zien wel veerkracht onder de loyale groep vrijwilligers, die juist actiever is geworden. Er is echter een grens aan de inzet van de trouwe vrijwilliger. Het toenemende belang dat de overheid in de participatiesamenleving aan mantelzorg en informele hulp hecht vormt op termijn een bedreiging voor het vrijwilligerswerk. We zien in het Geven in Nederland onderzoek dat informele hulp, mantelzorg en vrijwilligerswerk communicerende vaten zijn. Het hemd is dan nader dan de rok. Mensen stoppen vaker met vrijwilligerswerk als ze mantelzorgtaken erbij krijgen.

De overheid heeft bezuinigd op subsidies voor specifieke goededoelenorganisaties. Met name in de cultuursector hebben instellingen lastige keuzes moeten maken. Door de bezuinigingen op culturele instellingen is een beroep gedaan op de veerkracht in de sector cultuur. We zien hier grote verschillen tussen instellingen. De grotere musea van ons land zijn met behoud van subsidie in staat geweest om ook nog meer geld uit de markt te halen. Voor veel andere instellingen staan de inkomsten door bezuinigingen onder druk en zij lijken nog niet goed in staat meer inkomsten uit fondsenwerving en commerciële inkomsten te halen. Helaas blijkt ook bij de gevers de veerkracht beperkt te zijn. Vooralsnog zijn de bezuinigingen op culturele instellingen veel groter dan de toename in de giften aan culturele instellingen. Vermogende gevers zijn niet van plan meer te gaan geven aan cultuur.

De komende jaren zal duidelijk worden of vrijwillige bijdragen voldoende zijn om de schokken op te vangen die de economische crisis en de bezuinigingen door de overheid hebben veroorzaakt.  Zijn we als samenleving in staat deze betrokkenheid te mobiliseren? De aantrekkingskracht van het werk van goededoelenorganisaties is daarbij niet voldoende. Vermogende particulieren verlangen een meer zakelijke manier van werken dan gebruikelijk is bij veel goede doelen en hebben behoefte aan nieuwe financiële instrumenten die zakelijke investeringen in de kwaliteit van de samenleving mogelijk maken. Denk daarbij aan crowdfunding, social impact bonds, en ‘venture philanthropy’. De lage rentestand maken deze alternatieve vormen van investeren aantrekkelijker. In de geest van het convenant uit 2011 zou de sector filantropie in overleg met de overheid en het bedrijfsleven deze instrumenten verder moeten ontwikkelen.

Literatuur

Bekkers, R., Schuyt, T.N.M. & Gouwenberg, B.M. (2015, Red). Geven in Nederland 2015: Giften, Nalatenschappen, Sponsoring en Vrijwilligerswerk. Amsterdam: Reed Business.

Harbaugh, W.T. , Mayr , U., & Burghart, D.R. (2007). Neural responses to taxation and voluntary giving reveal motives for charitable donations. Science, 316: 1622-1625.

Rockefeller Foundation (2015). Resilience. https://www.rockefellerfoundation.org/our-work/topics/resilience/

Shorto, R. (2005). The Island At the Center of the World. New York: Random House/Vintage.

[*] Deze bijdrage is deels gebaseerd op gegevens uit Geven in Nederland 2015 (Bekkers, Schuyt & Gouwenberg, 2015).

1 Comment

Filed under altruism, Center for Philanthropic Studies, charitable organizations, economics, foundations, household giving, Netherlands, philanthropy, taxes, Uncategorized, volunteering

Een gedragscode voor werving nalatenschappen door goede doelen

In 1Vandaag zei ik op 19 februari dat er in Nederland geen gedragscode voor de werving van nalatenschappen bestaat. Dit blijkt niet waar, er is wel degelijk een richtlijn voor nalatenschappenwerving. In de regels van het Centraal Bureau Fondsenwerving voor het CBF-Keur en op de website van de VFI (Vereniging voor Fondsenwervende Instellingen), branchevereniging voor goede doelen, is deze richtlijn echter niet te vinden. De VFI heeft wel een richtlijn voor de afwikkeling van nalatenschappen. Maar die gaat over de afwikkeling, als het geld al binnen is. Niet over de werving van nalatenschappen.

Het blijkt dat de richtlijn voor de werving van nalatenschappen is gepubliceerd door een derde organisatie, het Instituut Fondsenwerving. Deze organisatie heeft in 2012 een richtlijn opgesteld voor fondsenwervende instellingen die nalatenschappen werven. De richtlijn is niet verplichtend. Het Instituut Fondsenwerving heeft ook een gedragscode waar haar leden zich aan hebben te houden, maar de richtlijn voor nalatenschappen heeft niet de status van gedragscode. Bij het Instituut Fondsenwerving zijn volgens de ledenlijst 231 goede doelen organisaties aangesloten (klik hier voor een overzicht in Excel). Het Leger des Heils is lid van het IF, maar de Zonnebloem niet. Ook andere grote ontvangers van nalatenschappen, zoals KWF Kankerbestrijding, ontbreken op de ledenlijst. Zij zijn wel lid van de VFI, dat 113 leden en 11 aspirant leden telt.

De VFI reageerde op de uitzending via haar website en vermeldde de richtlijn van het Instituut Fondsenwerving. De status van de richtlijn is in de reactie opgehoogd naar een gedragscode. Dit zou betekenen dat leden die zich niet aan de richtlijn houden, kunnen worden geroyeerd. Gosse Bosma, directeur van de VFI, zei overigens in de 1Vandaag uitzending dat de VFI niet is nagegaan of de betrokken leden zich aan de richtlijn hebben gehouden en dat ook niet nodig te vinden. Het IF zelf heeft niet gereageerd. Ook de ontvangende goede doelen, de Zonnebloem en het Leger des Heils, reageerden deze week via het vaktijdschrift voor de filantropie, Filanthropium. Zij verklaarden zich bereid onrechtmatigheden te corrigeren. Wordt ongetwijfeld vervolgd in de volgende fase van deze zaak, of wanneer een nieuwe zaak zich aandient.

 

Leave a comment

Filed under bequests, charitable organizations, fundraising, incentives, law, philanthropy, regulation

Wat zegt het CBF-Keur voor goede doelen?

Het Financieel Dagblad besteedt een lang artikel aan de betekenis van het CBF-Keur voor goede doelen naar aanleiding van de vraag: “Waar blijft mijn gedoneerde euro?” Het “keurmerk en boekhoudregels zijn geen garantie voor een zinvolle besteding”, volgens de krant. Verderop in het artikel staat mijn naam genoemd bij de stelling dat het CBF-Keur ‘fraude of veel te hoge kosten niet uitsluit’ en zelfs dat het ‘nietszeggend’ zou zijn. Inderdaad zegt het feit dat een goed doel over het CBF-Keur beschikt niet dat de organisatie perfect werkt. Het maakt fraude niet onmogelijk en dwingt organisaties ook niet altijd tot de meest efficiënte besteding van beschikbare middelen. In het verleden zijn misstanden bij verschillende CBF-Keurmerkhouders in het nieuws gekomen, die bij sommige organisaties hebben geleid tot intrekking van het keurmerk.

Maar helemaal ‘nietszeggend’ is het CBF-Keur ook weer niet. Zo denk ik er ook niet over. Het CBF-Keur zegt wel degelijk wat. Voordat een organisatie het CBF-Keur mag voeren moet het een uitgebreide procedure door om aan eisen te voldoen aan financiële verslaggeving, onafhankelijkheid van het bestuur, kosten van fondsenwerving, en de formulering van beleidsplannen. Dit zijn relevante criteria. Zij zorgen ervoor dat je als donateur erop kunt vertrouwen dat de organisatie op een professionele manier werkt. Het CBF-Keur zegt alleen niet zoveel over de efficiëntie van de bestedingen van een goed doel. Veel mensen denken dat wel, zo constateerden we in onderzoek uit 2009.

Het is lastige materie. Garantie krijg je op een product dat je koopt in de winkel, waardoor je het terug kunt brengen als het niet functioneert of binnen korte tijd stuk gaat. Zulke garanties zijn moeilijk te geven voor giften aan goede doelen. Een dergelijke garantie zou je alleen kunnen geven als de kwaliteit van het werk van goede doelenorganisaties gecontroleerd kan worden en er een minimumeis voor te formuleren valt. Dat lijkt mij onmogelijk. Het CBF-Keur is niet zoiets als een rijbewijs dat je moet hebben voordat je een auto mag besturen. De markt voor goede doelen is vrij toegankelijk; iedereen mag de weg op. Sommige goede doelen hebben een keurmerk, maar dat zegt vooral hoeveel ze betaald hebben voor de benzine, in wat voor auto ze rijden en wie er achter het stuur zit. Het zegt nog niet zoveel over de hoeveelheid ongelukken die ze ooit hebben mee gemaakt of veroorzaakt, en of dat de kortste of de snelste weg is.

Vorig jaar stelde de commissie-De Jong voor om een autoriteit filantropie in te stellen, die organisaties zou gaan controleren voordat ze de markt voor goede doelen op mogen. Er zou een goede doelen politie komen die ook op de naleving van de regels mag controleren en boetes mag uitdelen. Dat voorstel was te duur voor de overheid. Voor de goede doelen was het onaantrekkelijk omdat zij aan nieuwe regels zouden moeten gaan voldoen. Bovendien was het niet duidelijk of die nieuwe regels ook echt het aantal ongelukken zou verlagen. Het is op dit moment überhaupt niet duidelijk hoe goed de bestuurders van goede doelen de weg kennen en hoeveel ongelukken ze maken. Een beter systeem zou moeten beginnen met een meting van het aantal overtredingen in het goede doelen verkeer en een telling van het aantal bestuurders met en zonder rijbewijs. Vervolgens zou het goed zijn om een rijopleiding op te zetten die iedereen die de markt op wil kan volgen en in staat stelt de vaardigheden op te doen waarover elke bestuurder moet beschikken. Ik hoop dat het artikel in het Financieel Dagblad tot een discussie leidt die dit duidelijk maakt.

Intussen heeft het CBF gereageerd met de verzekering dat er gewerkt wordt aan uitwerking van richtlijnen voor ‘reactief toezicht op prestaties’. Ook de VFI, branchevereniging voor goede doelen, kwam met een reactie van die strekking. Dat is goed nieuws. Maar die nieuwe richtlijnen zijn er nog lang niet. In de tussentijd geeft het CBF keurmerken af en publiceren de Nederlandse media – die na Finland de meest vrije ter wereld zijn – af en toe een flitspaalfoto van wegmisbruikers. Dat lijkt voldoende te zijn om het goede doelen verkeer zichzelf te laten regelen en de ergste ongelukken te voorkomen. Want die zijn er maar weinig.

Leave a comment

Filed under charitable organizations, fraud, household giving, impact, incentives, law, philanthropy, policy evaluation, politics

Five challenging questions on philanthropy

The recent success of the Ice Bucket Challenge for ALS across the world raises numerous questions on philanthropy. In this post I give some background information to answer five of these questions.

 

1. Where will it end?

It is hard to predict how much money will be raised for ALS through the Ice Bucket Challenge. Some two weeks after the campaign really took off it has raised more than £100 million according to this UK source.  The growth of donations to the ALS Association in the US now shows signs of decline, suggesting that the campaign is losing energy.

IceBucket_graph

Source: Tweet by Ethan O. Perlstein, August 29, 2014

If the S-shape in the graph above continues, total donations to the ALS Association in the US could reach $120 million.

IceBucket_graph_extra

 

2. Will other charities lose from the challenge?

It is often assumed that donors think about donations from a fixed annual budget: a dollar donated to the ALS Association cannot go to other charities. From this perspective, the Ice Bucket Challenge would come at the expense of other charities. However, it is also possible that the campaign does not affect other charities. There are many examples of campaigns that have not decreased amounts to other charities. In the Netherlands, the success of the Alpe d’Huzes bike rides against cancer has increased the amounts donated to the Dutch Cancer Society, while other health charities on average do not seem to have lost. Also for the Cancer Society itself the success of the bike ride has not come at the expense of regular fundraising campaigns, until questions were asked about the ‘no overhead costs’ policy promoted by the organizers of the event.

Also there is the possibility that people will donate more to health charities (or charities in general) because they become more aware of the need for donations. When I was nominated for the challenge by my wife my response was to donate to the Rare Diseases Foundation (ZZF), a Dutch foundation supporting research on a variety of rare diseases. My best bet is that the Ice Bucket Challenge is a fortuitous fundraising event that does not come at the expense of donations to other charities.

 

3. Is the success of the Ice Bucket Challenge ‘fair’ given the relative rarity of ALS as a disease?

Looking at all deaths in the course of a year, ALS is a relatively rare cause of death, as US data from the CDC show. Fi Douglas made a comparison with amounts donated, showing that donations do not seem to be directed towards the most lethal diseases.

diseases_donations

Source: Tweet by Fi Douglas, August 23, 2014

In a paper I published back in 2008, I compared donations to charities fighting groups of diseases and the number of deaths that these diseases cause. Giving in Netherlands to health charities seems more needs-based. It should be noted that the relatively high donations to charities fighting diseases of the nervous system is not due to the Netherlands ALS association, but mainly to other health charities.

Fundraising_Income_Needs_Netherlands_2008

 

4. What is the effectiveness of donations to the ALS Association?

When people think about the effectiveness of donations, they often look for financial information about revenues and expenses. These numbers have limited value, but let’s look at them for what they are worth. According to its annual report, the Netherlands ALS association raised €6.5 million in 2013 and spent about €7 million on research, dipping into its endowment. The costs of fundraising approached €0.5 million, a relatively low proportion relative to the ALS Association in the US (ALSA). The ALSA annual report tells us the association spent $7 million on research in 2013, and $3.6 million on fundraising, having raised a total of $29 million. One could say fundraising in the US is less effective, more difficult, or simply more expensive than in the Netherlands.

However, these numbers tell us nothing about the effectiveness of Ice Bucket Challenge donations. Their effectiveness depends completely on how the millions that are raised will be spent. From my limited knowledge on ALS it seems that the development of treatments or drugs against the disease is not on the verge of a breakthrough. Even though it would be premature to expect an effective ALS treatment any time soon, the sheer size of the amounts donated now will enable researchers to make some big steps. Now the stakes have been raised, donors may expect a well thought-through strategy of the ALS associations to spend the money in a responsible manner. The challenge for the ALS associations across the world is to manage donor expectations: to carefully communicate the uncertainty inherent in the development of medical innovations while avoiding disappointment and anger among donors expecting quick results.

Moreover, some have questioned the utility of health research charities relative to other charities, saying that there are more effective ways to spend donations. In the Netherlands this opinion was expressed by my colleague from Rotterdam, Kellie Liket, in one of the major national newspapers, De Volkskrant. Some of the responses to this op-ed piece have identified the same substitution logic that we saw above; a logic that can be questioned. More importantly, the opinion depends on the assumptions made about what counts towards the ‘effect’ of a donation. If we count lives saved per dollar contributed, medical research does not have a strong position in the debate. We can save many more lives by donating to improve health and living conditions in developing countries, where life is much less expensive to begin with. The same $100 buys more health in a poorer country, all else being equal. But this is not the health of people we know, or the health of loved ones who have suffered from a disease. It is our greater empathy for people close to us that makes us donate more readily to certain causes than others.

 

5. Why should we give to a certain cause or organization?

Perhaps the most fundamental question raised by the Ice Bucket Challenge is a moral one. While research on philanthropy may show that we give out of compassion for people we know, there are many other reasons for people to give to charity. The joy of giving, aversion of guilt, being asked to give or seeing someone else give, the desire to obtain prestige, or simply an unexpected windfall or a ray of sunshine can motivate people to give. What we think of these circumstances and reasons is a different matter. The wisdom on the ethics of giving is much older than the 120 years of empirical research on philanthropy since Thorstein Veblen’s description of donations by the late 19th century New York elite as forms of conspicuous consumption. In the 12th century, Maimonides described eight levels of charity. Giving in response to a request is lower than anonymous giving; the highest form of giving would make recipients self-reliant and their dependence on charity disappear. Because of its largely public nature, the Ice Bucket Challenge can be placed on the lower rungs of Rambam’s Golden Ladder of Charity; but you can choose your favorite manner of donating in response to the challenge. And who knows: in the very long run, even your grudgingly accepted challenge and public donation may contribute to a cure for ALS – making victims of the disease less dependent on the charity of their loved ones.

4 Comments

Filed under altruism, charitable organizations, household giving, philanthropy, psychology, trends

Valkuilen in het nieuwe systeem van toezicht op goededoelenorganisaties

Deze bijdrage verscheen op 27 januari op Filanthropium.nl.
Dank aan Theo Schuyt voor commentaar op een eerdere versie van dit stuk en aan Sigrid Hemels en Frans Nijhof voor correcties van enkele feitelijke onjuistheden. PDF? Klik hier.

De contouren van het toezicht op goededoelenorganisaties in de toekomst worden zo langzamerhand duidelijk. Het nieuwe systeem is een compromis dat op termijn veel kan veranderen, maar net zo goed een faliekante mislukking kan worden.

Hoe ziet het nieuwe systeem eruit?
In opdracht van de Minister van Veiligheid en Justitie heeft de Commissie De Jong een voorstel gedaan voor een nieuw systeem. De commissie stelt voor een Autoriteit Filantropie op te richten die de fondsenwervende goededoelenorganisaties moet registreren. De autoriteit is een nieuw orgaan dat onder het ministerie van Veiligheid en Justitie valt, maar eigen wettelijke bevoegdheden krijgt. Burgers kunnen de registratie online raadplegen. Het uitgangspunt van het nieuwe systeem is een kostenbesparing. Geregistreerde goededoelenorganisaties hoeven geen keurmerk meer aan te vragen en krijgen automatisch toegang tot de markt voor fondsenwerving. Organisaties die geen fondsen werven zoals vermogensfondsen en organisaties die alleen onder hun leden fondsen werven zoals kerken hoeven zich niet te registreren. De autoriteit maakt de huidige registratie van Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) door de belastingdienst grotendeels overbodig.

Winnaars en verliezers
Het nieuwe systeem is een overwinning voor vijf partijen: de vermogensfondsen, de kerken, de bekende goededoelenorganisaties, het Ministerie van Veiligheid en Justitie, en de Belastingdienst. De meeste vermogensfondsen en de kerken winnen in het nieuwe systeem omdat zij niet door de registratie heen hoeven wanneer zij geen fondsen werven onder het publiek. Zij blijven als ANBI’s geclassicificeerd bij de belastingdienst. De bekende goededoelenorganisaties winnen in het systeem omdat zij invloed krijgen op de criteria die voor registratie zullen gaan gelden. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie wint omdat zij volledige controle krijgt over goededoelenorganisaties. De Belastingdienst wint omdat zij afscheid kan nemen van een groot aantal werknemers die voor de registratie van goededoelenorganisaties zorgden.

De verliezers in het nieuwe systeem zijn de huidige toezichthouders op goededoelenorganisaties (waaronder het Centraal Bureau Fondsenwerving , CBF) en de kleinere goededoelenorganisaties. Het CBF verliest klanten omdat de nieuwe registratie gaat gelden als toegangsbewijs voor de Nederlandse markt voor fondsenwerving en daarmee het keurmerk van het CBF (en een aantal andere, minder bekende, keurmerken) overbodig maakt. De autoriteit filantropie krijgt de mogelijkheid overtreders te beboeten. De Belastingdienst heeft deze mogelijkheid in het huidige systeem niet, zij kan alleen de ANBI-status intrekken. Ook het CBF kan geen boetes innen, maar alleen het keurmerk intrekken.

De criteria waarop potentiële gevers goededoelenorganisaties kunnen gaan beoordelen zijn nog niet geformuleerd. Omdat de kleinere goededoelenorganisaties in Nederland niet of niet goed georganiseerd zijn is het lastig om hun belangen in de autoriteit filantropie een stem te geven. Het gevaar dreigt dat de grotere goededoelenorganisaties de overhand krijgen in de discussie over de regels. Ook is onduidelijk hoe streng de controle gaat worden. De belastingdienst gaat deze controle in ieder geval niet meer doen. De commissie stelt voor dat vooral voorafgaand aan de registratie controle plaatsvindt.

De winst- en verliesrekening voor de burger – als potentiële gever en belastingbetaler – is minder duidelijk. De kosten van de hele operatie zijn niet berekend. De commissie stelt voor dat alle organisaties die zich registreren om toegang te krijgen tot de Nederlandse markt voor fondsenwerving mee gaan betalen. Het ANBI-register telt momenteel zo’n 60.000 inschrijvingen; een deel betreft organisaties die zich in het nieuwe systeem niet meer hoeven te registreren (kerken, vermogensfondsen). Als er 20.000 registraties overblijven kan het nieuwe systeem voor de goededoelenorganisaties aanmerkelijk goedkoper worden. Op dit moment betalen 269 landelijk wervende goededoelenorganisaties voor het CBF-keurmerk. In het huidige systeem worden alle keurmerkhouders gecontroleerd. De autoriteit zal slechts steekproefsgewijs en bij klachten controles uitvoeren.

Gebrekkige probleemanalyse
Het advies vertrekt vanuit de probleemanalyse dat het vertrouwen in goededoelenorganisaties daalt door schandalen en affaires. Deze analyse is niet goed onderbouwd. De publieke verontwaardiging over de salariëring van (interim)managers zoals bij Plan Nederland en de Hartstichting in 2004 en het breken van (onmogelijke) beloften over gratis fondsenwerving zoals bij Alpe D’huZes vorig jaar bedreigen vooral de inkomsten van getroffen organisaties, niet de giften aan de goededoelensector als geheel. Het vertrouwen in goededoelenorganisaties daalt al tijden structureel, zo blijkt uit het Geven in Nederland onderzoek van de Vrije Universiteit en de peilingen van het Nederlands Donateurs Panel.

Vervolgens stelt het advies dat het doel van een nieuw systeem is om het vertrouwen in goededoelenorganisaties onder burgers te vergroten. Dat burgers in vertrouwen moeten kunnen geven door het nieuwe systeem lijkt een legitiem doel. Het is echter de vraag of overheid de imago- en communicatieproblemen van de goededoelensector op moet lossen. We zouden de sector daar immers ook zelf verantwoordelijk voor kunnen houden, zoals in de Verenigde Staten gebeurt. Voor het imago van de overheid en het vertrouwen in de politiek is het echter verstandig de controle op organisaties die fiscale voordelen krijgen waterdicht te maken, zodat er geen vragen komen over de doelmatigheid van de besteding van belastinggeld. Daarnaast is het vanuit de politieke keuze voor de participatiesamenleving verstandig meer inzicht te vragen in de prestaties van goededoelenorganisaties. Als burgers zelf meer verantwoordelijkheid krijgen voor het publiek welzijn via goededoelenorganisaties willen we wel kunnen zien of zij die verantwoordelijkheid inderdaad waarmaken. Dat zou via het register van de Autoriteit Filantropie kunnen.

Nieuw systeem zorgt niet automatisch voor meer vertrouwen
Het is echter de vraag of de burger door het nieuwe systeem ook inderdaad weer meer vertrouwen krijgt in goededoelenorganisaties. Het advies van de Commissie de Jong heeft veel details van het nieuwe systeem nog niet ingevuld. Vertrouwen drijft op de betrouwbaarheid van de controlerende instantie. Die organisatie moet onafhankelijk én streng zijn. Conflicterende belangen bedreigen het vertrouwen. Als de te controleren organisaties vertegenwoordigd zijn in de autoriteit of haar activiteiten kunnen beïnvloeden is zij niet onafhankelijk. Een gebrek aan controle is eveneens een risicofactor voor het publieksvertrouwen, vooral als er later problemen blijken te zijn. Het is belangrijk dat de autoriteit proactief handelt en niet slechts achteraf na gebleken onregelmatigheden een onderzoek instelt.

Blijkbaar is er iets mis met de huidige controle. De probleemanalyse van de commissie de Jong gaat ook op dit punt kort door de bocht. Het advies omschrijft niet hoe de controle op goededoelenorganisaties op dit moment plaatsvindt. De commissie analyseert evenmin wat de problemen zijn in het huidige systeem. Op dit moment gebeurt de controle op goededoelenorganisaties niet door de overheid. De belastingdienst registreert ‘Algemeen nut beogende instellingen’ (ANBI’s), maar controleert deze instellingen nauwelijks als ze eenmaal geregistreerd zijn.

Sterke en zwakke punten van het huidige systeem
In feite heeft de overheid de controle op goededoelenorganisaties nu uitbesteed aan een vrije markt van toezichthouders. Dit zijn organisaties zoals het CBF die keurmerken verstrekken. In theorie is dit een goed werkend systeem omdat de vrijwillige deelname een signaal van kwaliteit geeft aan potentiële donateurs. Goededoelenorganisaties kunnen ervoor kiezen om aan eisen te voldoen die aan deze keurmerken zijn verbonden. Organisaties die daarvoor kiezen willen en kunnen openheid geven; de organisaties die dat niet doen laden de verdenking op zich dat zij minder betrouwbaar zijn. Het systeem werkt als de toezichthouder onafhankelijk is, de controle streng, en de communicatie daarover effectief. Het CBF heeft in de afgelopen jaren echter verzuimd om de criteria scherp te hanteren en uit te leggen aan potentiële donateurs. Het CBF-Keur stelt bijvoorbeeld geen maximum aan de salarissen van medewerkers. Ook bij de onafhankelijkheid kunnen vragen worden gesteld. De grote goededoelenorganisaties zijn met twee afgevaardigden van de VFI vertegenwoordigd in het CBF, en zijn daarnaast in feite klanten die betalen voor de kosten van het systeem. Zij hebben er belang bij de eisen niet aan te scherpen omdat dan de kosten te hoog oplopen.

Twee valkuilen
In het nieuwe systeem dreigen zowel de onafhankelijkheid als de pakkans voor problemen te zorgen. De commissie laat het aan de autoriteit over om te bepalen welke regels zullen worden gehanteerd. Maar wie komen er in die autoriteit? De commissie beveelt aan ‘diverse belanghebbenden (sector, wetenschap, overheid)’ in het bestuur van de autoriteit te laten vertegenwoordigen. Het is echter onduidelijk welke partijen er in de autoriteit precies zitting krijgen, en in welke machtsverhoudingen. Wel is duidelijk dat de autoriteit in eerste instantie uitgaat van het zelfregulerend vermogen van de sector. De goededoelenorganisaties mogen dus zelf met voorstellen komen voor de regels. De commissie legt de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de regels vervolgens bij de overheid, en meer in het bijzonder bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Het is dan de vraag in hoeverre de minister gevoelig is voor de lobby van goededoelenorganisaties.

De commissie stelt ook voor de controle op grond van risicoanalyses uit te voeren en om af te gaan op klachten. Dat kan in de praktijk voldoende blijken te zijn. Het nieuwe systeem neemt echter als uitgangspunt de kosten te minimaliseren. Deze kosten moeten bovendien door de te controleren goededoelenorganisaties worden opgebracht. Zij krijgen er belang bij de controle licht en oppervlakkig mogelijk te maken. Als er onvoldoende controle plaatsvindt, zoals in de Verenigde Staten het geval is, zullen ook geregistreerde organisaties onbetrouwbaar blijken te zijn. Dit is natuurlijk helemaal desastreus voor het vertrouwen.

De commissie de Jong stelt bovendien voor dat alle fondsenwervende goededoelenorganisaties van enige betekenisvolle omvang verplicht geregistreerd worden. Het nieuwe systeem biedt geen zicht op de prestaties van vermogensfondsen en kerken omdat zij onder de belastingdienst blijven vallen. Zij krijgen een voorkeursbehandeling omdat zij geen fondsen werven, of alleen onder leden. Dit is een oneigenlijk argument. Het criterium van algemeen nut betreft niet de herkomst van de fondsen, maar de prestaties. Ook de activiteiten van kerken en vermogensfondsen moeten ten goede komen aan het algemeen nut.

Het middel van verplichte registratie is waarschijnlijk niet effectief in het vergroten van het publieksvertrouwen. Een verplichte registratie heeft geen signaalfunctie voor potentiële donateurs. Als alle goededoelenorganisaties aan de eisen voldoen, zijn ze dan allemaal even betrouwbaar? Dat is niet erg waarschijnlijk. Ofwel de lat wordt in het nieuwe systeem zo laag gelegd dat alle organisaties er overheen kunnen springen, ofwel de lat wordt op papier weliswaar hoog gelegd maar in de praktijk stelt de controle niets voor.

Het zou veel beter zijn de autoriteit een vrijwillig sterrensysteem te laten ontwerpen waarin donateurs kunnen zien hoe professioneel de organisatie is aan het aantal sterren die onafhankelijke controle heeft opgeleverd. Donateurs kunnen dan professionelere organisaties verkiezen, voor zover ze bereid zijn daarvoor te betalen tenminste. Geld werven kost geld, en geld effectief besteden ook. Met een financiële bijsluiter kan de autoriteit filantropie inzichtelijk maken wat de te verwachten risico’s zijn van private investeringen in goededoelenorganisaties. Zo dwingt de markt de goededoelenorganisaties tot concurrentie op prestaties voor het publiek welzijn. Een waarlijk onafhankelijke autoriteit die scherp controleert op naleving van (naar keuze) strenge of minder strenge regels is ook binnen die contouren mogelijk en lijkt mij gezien de maatschappelijke betekenis van de filantropie in Nederland van belang.

2 Comments

Filed under charitable organizations, corporate social responsibility, foundations, fraud, household giving, incentives, law, philanthropy, policy evaluation, politics, taxes, trends, trust

Overheid vermindert giften aan ontwikkelingssamenwerking door bezuinigingen

Drie nieuwe onderzoeksresultaten verminderen de hoop dat burgers de overheidsbezuinigingen op internationale hulporganisaties zullen compenseren door meer giften:

  1. Bezuinigingen verminderen de investeringen van hulporganisaties in fondsenwerving;
  2. Mensen geven liever aan doelen die anderen ook steunen;
  3. Er zijn meer Nederlanders die zeggen dat ze mee zullen bezuinigen dan Nederlanders die meer zullen geven als de overheid bezuinigt.

Deze drie resultaten presenteerde ik vandaag op een seminar van NCDO in Den Haag. Meer details staan hier.

Leave a comment

Filed under altruism, charitable organizations, disaster relief, experiments, household giving, law, politics