Category Archives: Netherlands

Resilience and Philanthropy

This post in pdf

With the year 2020 on the horizon, the recently published work programme for Research & Innovation from European Commission for the years 2016-2017 is organized around a limited set of Societal Challenges. Europe defined these challenges after a long process of lobbying and consultation with many stakeholders. Going through the list I could not help thinking that something was missing. I do not mean that the list of challenges is a result of a political process and does not seem to reflect an underlying vision of Europe. I am thinking about the current refugee crisis. The stream of refugees arriving at the gates of Europe poses new challenges to Europe, in many areas: humanitarian assistance, citizenship, poverty, inclusion, access to education, and jobs. The stream of refugees also raises important questions for philanthropy. How will Europe deal with these challenges? How resilient is Europe? Will governments, nonprofit organizations and citizens be able to deal with this challenge? In the definition of the Rockefeller Foundation, resilience is the capacity of individuals, communities and systems to survive, adapt, and grow in the face of stress and shocks, and even transform when conditions require it. I define resilience as the mobilization of resources for the improvement of welfare in the face of adversity.

Among refugees, who are seeking a better future for themselves and their children, we see resilience. Threatened by adversity in their home countries, they take grave risks by placing their fate in the hands of human traffickers, foreign police officers. They rely on each other and their inner strength, hoping that what they left behind is worse than their future. We see a lack of resilience in Europe. The continent was not ready for the large stream of refugees. Some member states pass on the stream to each other by closing their borders. Other national governments try to accommodate refugees seeking asylum, but face barriers in finding housing, and resistance from groups of citizens who oppose accommodation of refugees in their communities. At the same time we see a willingness to help among other citizens, who offer assistance in the form of volunteer time, food and other goods. Perhaps the response of citizens is related to their own levels of resilience.

Resilience is not just the ability to withstand adversity or change by not changing at all. Resilience is not just sitting it out, or a strategy based on a rational computation of risks, the avoidance of risks, or flexibility and absorption of shocks. The resilient actor adapts to new situations and grows.  Neither is resilience an immutable trait of individuals, a matter of luck in the genetic lottery. Resilience has often been studied at the individual level in psychology. Resilience requires will power, perseverance, self-esteem, creativity, a proactive attitude, optimism, intrinsic motivation, inner strength, a long term orientation to the future, willingness to change for the better, risk-taking, using the force of your opponent, problem solving ability, and intelligence.

The questions for research on resilience require social scientists to study not only the response of individual citizens, but also of social systems: informal networks of citizens, social groups, nonprofit organizations, nations, and supra-national institutions. How are resilience-related traits related to philanthropy at the level of groups and systems? How can resilience among organizations be fostered? How do nonprofit organizations build and on resilience of target groups? Resilience is a very useful concept to apply to each of the societal challenges of Europe. The classic welfare state was a system that created resilience for society as a whole, reducing the need for resilience among individual citizens. The modern activating welfare state requires resilience among citizens as a condition for support. Welfare state support becomes more like charity: we favor victims of natural disasters that try to make the best of their lives and welfare recipients that are actively seeking a job.

As nonprofit organizations are trying to respond to the refugee crisis, they are also facing adversity themselves. In the United Kingdom, fundraising practices by charities have recently come under attack. In the Dutch nonprofit sector, cuts in government funding to arts and culture organizations have been a major source of adversity in the past years. Further cuts have been announced to organizations in international relief and development. In our research at the Center for Philanthropic Studies at VU Amsterdam we have asked: how willing are Dutch citizens to increase private contributions to charities when the government is lowering their financial support? Not much, is what our research shows. While some may have believed that citizens would compensate lower income from government grants through increased donations, this has not happened. When the cuts to the arts and culture organizations were announced, the minister for Education, Arts and Science said that cultural organizations should do more to raise funds from private sources and should rely less on government grants. The culture change in the cultural sector is taking place, slowly. Some organizations were not ready for this change and simply discontinued their activities. Most have decided to do with less, and see what opportunities they may have to increase fundraising income. Some have done well. On the whole, the increase in private contributions is marginal, and much less than the loss in government grants.

For nonprofit organizations, the refugee crisis poses a challenge, but also an opportunity to mobilize citizen support in an effective manner. By offering their support to the government, working together effectively, and channeling the willingness to volunteer they can demonstrate the societal impact that nonprofit organizations may have. This would be a much needed demonstration when trust in charitable organizations is low.

Leave a comment

Filed under disaster relief, empathy, Europe, foundations, helping, impact, Netherlands, philanthropy, psychology, trust

De veerkracht van de filantropie

[*]

Deze tekst als pdf downloaden

Burgerkracht, lokale actie, de doe-democratie, de participatiesamenleving: we komen deze termen steeds vaker tegen in de politiek, de media en beleidsstukken van de overheid en adviesorganen. De termen fungeren in een fundamenteel debat over de verdeling van verantwoordelijkheid van burgers en de overheid voor het welzijn van anderen en de samenleving. Het uitgangspunt van deze stukken is de autonome, zelfredzame burger, die geen overheidsregeling nodig heeft om voor zichzelf, de eigen omgeving en de samenleving te zorgen.

Bij dit uitgangspunt past de filantropie, gedefinieerd als vrijwillige bijdragen van geld en tijd aan het algemeen nuttige doelen zoals gezondheid, cultuur, onderwijs, natuur en levensbeschouwing. Die bijdragen komen niet alleen van levende burgers, maar ook van overledenen (via nalatenschappen), van bedrijven, vermogensfondsen, en van goededoelenloterijen. In 2013 ging er in de filantropie in totaal zo’n €4,4 miljard om. In 2011 spraken het kabinet en de sector filantropie af intensiever samen te werken aan de kwaliteit van de samenleving. Door het activerende beleid doet de overheid een groter beroep op vrijwillige bijdragen in de vorm van geld en tijd en neemt de maatschappelijke betekenis van filantropie toe.

In theorie biedt voorziening van maatschappelijke doelen en collectieve arrangementen uit vrijwilligheid een voordeel boven verplichting via belasting of een andere vrijheidsbeperking. Via vrijwillige bijdragen krijgen burgers meer controle over de kwaliteit van de samenleving en kunnen ze daar ook met recht trots op zijn. Burgers dragen liever vrijwillig bij aan maatschappelijke doelen dan via een verplichte belasting of via verplichte maatschappelijke dienstverlening.

De voorkeur voor vrijwillige bijdragen is niet alleen psychologisch in de vorm van een ‘goed gevoel’. Een experiment van Harbaugh, Mayr en Burghart (2007) maakte deze voorkeur zichtbaar door middel van hersenscans van Amerikaanse vrouwen die een grotere activiteit in het ‘genotscentrum’ in de hersenen vertoonden als zij een bedrag aan een goed doel gaven dan wanneer hetzelfde bedrag namens hen door de experimentleiders werd gegeven. Er kan ook voor burgers een materieel voordeel zitten aan vrijwillige bijdragen in de vorm van vrijwilligerswerk. Er is veel onderzoek dat laat zien dat vrijwilligers gelukkiger zijn, grotere sociale netwerken hebben, langer gezond blijven en uiteindelijk langer leven dan maatschappelijk minder betrokken burgers.

Filantropie verhoogt de kwaliteit van leven omdat zij zich richt op de aanpak van maatschappelijke problemen en de realisatie van maatschappelijke idealen. Het besef groeit dat effectieve oplossingen een goede samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers vereisen. Een eenzijdige aanpak van bovenaf door een nationale overheid ligt steeds minder voor de hand. Bijdragen van burgers en bedrijven, in de vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, vrijwilligerswerk, crowdfunding en actieve burgerparticipatie zijn welkom op uiteenlopende gebieden als integratie, cultuur, zorg, veiligheid, natuurbehoud en duurzaamheid.

De aandacht voor filantropie van de overheid is een herontdekking van een rijk verleden. Een mooi historisch voorbeeld is de manier waarop volgens de Amerikaanse journalist Russell Shorto (2005) de bouw van de Walstraat in Nieuw Amsterdam werd gefinancierd. Op Wall Street in New York, waar nu het centrum van het kapitalisme is gevestigd, stond ooit een muur die de inwoners van de stad tegen de indianen, de Engelsen en de Zweden moest beschermen. Omdat er geen overheid was die belasting kon heffen werd de bouw van de wal gefinancierd met vrijwillige bijdragen van de burgers van Nieuw Amsterdam, waarbij van de meer vermogende inwoners een grotere bijdrage werd verwacht. Zij hadden ook meer te verliezen bij een inval. Latere voorbeelden, dichterbij huis, zijn het Vondelpark, de Vrije Universiteit en de grote musea in Amsterdam: voor een groot deel gefinancierd met schenkingen van vermogende particulieren.

Met het beroep op burgers keert de overheid terug naar deze tijden. De omstandigheden zijn in sommige opzichten gelijkaardig. Opnieuw is er grote welvaart in Nederland, die opnieuw zeer ongelijk verdeeld is. Er zijn echter ook grote verschillen. De vraag om vrijwillige bijdragen komt in een tijd waarin burgers gewend zijn aan een overheid die voor hen zorgt. Bovendien komt de vraag in een tijd van economische onzekerheid en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Het beroep op vrijwillige bijdragen vraagt veerkracht van burgers. De Rockefeller Foundation (2015) definieert veerkracht als de capaciteit van mensen, gemeenschappen en instituties om zich voor te bereiden op schokken en langdurige belasting, zich daar tegen te verzetten en ervan te herstellen. Veerkracht komt niet alleen tot uiting in zelfredzaamheid, maar ook in het mobiliseren van hulp en het aanboren van nieuwe hulpbronnen. Het gevoel van gemeenschap, het besef dat je met elkaar meer kunt bereiken dan alleen, en het vertrouwen in anderen helpen daar bij. Deze factoren zijn ook cruciaal voor de filantropie.

De sector filantropie is in Nederland in de afgelopen decennia niet gegroeid vanuit tegenslag en bedreiging. Integendeel. In de jaren ’90 hadden we geen last van crisis en groeide de sector als kool, nog veel harder dan de economie. De sector organiseerde en professionaliseerde zich. Er kwamen brancheverenigingen, gedragscodes, keurmerken, toezichthouders, er kwamen opleidingen en er kwam onderzoek dat de sector filantropie in kaart bracht. Die gehele ontwikkeling vond plaats in het laatste decennium van de jaren ’90 zonder dat er grote problemen waren. De filantropie is groot geworden in een tijd van voorspoed, zonder veel bemoeienis en grotendeels buiten het blikveld van de overheid. Vanuit de betrokkenheid van Nederlanders. Niet zozeer om maatschappelijke problemen op te lossen, maar ook – en misschien wel vooral – om idealen te verwezenlijken. Filantropie is de uiting bij uitstek van de veerkracht van de samenleving. Uit de filantropie van een samenleving blijkt waar burgers om geven, wat zij goede doelen vinden en hoeveel zij ervoor over hebben.

De economische crisis waarin Nederland in 2009 terecht is gekomen heeft een beroep gedaan op de veerkracht van burgers. Het zijn niet zozeer de korte termijn fluctuaties in de hoogte van inkomens, de werkloosheid of het consumentenvertrouwen die samenhangen met de lange termijn trend in het geefgedrag. Het gaat eerder om de economische zekerheid op de lange termijn: de waarde van giften van geld aan goede doelen houdt sinds 1965 gelijke tred met de ontwikkeling van de vermogens van Nederlanders. Sinds 1985 volgt de ontwikkeling in de hoogte van de giften in Nederland vrijwel exact de ontwikkeling in de hoogte van de waarde van onroerend goed.

consumptie_filantropie_onroerendgoed_08_13

Consumptieve bestedingen van huishoudens (nationaal) en totaal vermogen van huishoudens in de vorm van onroerend goed volgens het CBS en de waarde van filantropie door huishoudens volgens Geven in Nederland (niet gecorrigeerd voor inflatie)

De filantropie in Nederland lijkt minder gevoelig te zijn voor economische tegenwind dan die van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar de inkomsten voor goededoelenorganisaties flink daalden in 2008 en 2009 en daarna nauwelijks stegen. Pas in 2012 zagen de goededoelenorganisaties in de VS hun inkomsten weer toenemen. In Nederland bleef het recessie-effect uit tot 2011. Bovendien was het effect beperkt. We zien nu in 2013 weer een stijging van de giften. Dit is opmerkelijk omdat de waarde van onroerend goed in 2013 nog daalde. Ook de betrokkenheid van bedrijven bij goede doelen blijft hoog, ondanks de crisis. Het totaalbedrag aan giften en sponsoring is vrijwel gelijk gebleven.

Ook het overheidsbeleid van de afgelopen jaren heeft voor terugslag gezorgd. De overheid heeft taken gedecentraliseerd naar gemeenten, waardoor een groter beroep wordt gedaan op burgers om voor henzelf en hun naasten te zorgen. In de nieuwe cijfers over vrijwilligerswerk zien we een achteruitgang. In 2010 deed nog 41% vrijwilligerswerk, in 2014 is dat gedaald naar 37%. Ook het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn is gedaald, naar 18 uur per maand. In 2012 was dit nog 21 uur. We zien wel veerkracht onder de loyale groep vrijwilligers, die juist actiever is geworden. Er is echter een grens aan de inzet van de trouwe vrijwilliger. Het toenemende belang dat de overheid in de participatiesamenleving aan mantelzorg en informele hulp hecht vormt op termijn een bedreiging voor het vrijwilligerswerk. We zien in het Geven in Nederland onderzoek dat informele hulp, mantelzorg en vrijwilligerswerk communicerende vaten zijn. Het hemd is dan nader dan de rok. Mensen stoppen vaker met vrijwilligerswerk als ze mantelzorgtaken erbij krijgen.

De overheid heeft bezuinigd op subsidies voor specifieke goededoelenorganisaties. Met name in de cultuursector hebben instellingen lastige keuzes moeten maken. Door de bezuinigingen op culturele instellingen is een beroep gedaan op de veerkracht in de sector cultuur. We zien hier grote verschillen tussen instellingen. De grotere musea van ons land zijn met behoud van subsidie in staat geweest om ook nog meer geld uit de markt te halen. Voor veel andere instellingen staan de inkomsten door bezuinigingen onder druk en zij lijken nog niet goed in staat meer inkomsten uit fondsenwerving en commerciële inkomsten te halen. Helaas blijkt ook bij de gevers de veerkracht beperkt te zijn. Vooralsnog zijn de bezuinigingen op culturele instellingen veel groter dan de toename in de giften aan culturele instellingen. Vermogende gevers zijn niet van plan meer te gaan geven aan cultuur.

De komende jaren zal duidelijk worden of vrijwillige bijdragen voldoende zijn om de schokken op te vangen die de economische crisis en de bezuinigingen door de overheid hebben veroorzaakt.  Zijn we als samenleving in staat deze betrokkenheid te mobiliseren? De aantrekkingskracht van het werk van goededoelenorganisaties is daarbij niet voldoende. Vermogende particulieren verlangen een meer zakelijke manier van werken dan gebruikelijk is bij veel goede doelen en hebben behoefte aan nieuwe financiële instrumenten die zakelijke investeringen in de kwaliteit van de samenleving mogelijk maken. Denk daarbij aan crowdfunding, social impact bonds, en ‘venture philanthropy’. De lage rentestand maken deze alternatieve vormen van investeren aantrekkelijker. In de geest van het convenant uit 2011 zou de sector filantropie in overleg met de overheid en het bedrijfsleven deze instrumenten verder moeten ontwikkelen.

Literatuur

Bekkers, R., Schuyt, T.N.M. & Gouwenberg, B.M. (2015, Red). Geven in Nederland 2015: Giften, Nalatenschappen, Sponsoring en Vrijwilligerswerk. Amsterdam: Reed Business.

Harbaugh, W.T. , Mayr , U., & Burghart, D.R. (2007). Neural responses to taxation and voluntary giving reveal motives for charitable donations. Science, 316: 1622-1625.

Rockefeller Foundation (2015). Resilience. https://www.rockefellerfoundation.org/our-work/topics/resilience/

Shorto, R. (2005). The Island At the Center of the World. New York: Random House/Vintage.

[*] Deze bijdrage is deels gebaseerd op gegevens uit Geven in Nederland 2015 (Bekkers, Schuyt & Gouwenberg, 2015).

1 Comment

Filed under altruism, Center for Philanthropic Studies, charitable organizations, economics, foundations, household giving, Netherlands, philanthropy, taxes, Uncategorized, volunteering

Philanthropic Studies: Two Historical Examples

This post was published earlier in the newsletter of the European Research Network on Philanthropy

The 20th century has seen a tremendous growth of scientific enterprise. The increasing productivity of scientists has been accompanied by a proliferation of academic disciplines. While it is hard to determine an exact time and place of birth, the emergence of a separate field of research on philanthropy – Philanthropic Studies – took place largely in the 1980s in the United States of America (Katz, 1999). Looking back further in time, philanthropy American Style obviously has European roots. My favorite example to illustrate these origins – admittedly slightly patriotic – is the way the hallmark of capitalism was financed, documented by Russell Shorto in his book The Island at the Center of the World. Wall Street was built as a defense wall by the Dutch colonists against the Indians, the Swedes and the English, funded by private contributions of the citizens of New Amsterdam. The contributions were not altruistic in the sense that they benefited the poor or in the sense that they were motivated by concern for the welfare of all. Neither were these contributions totally voluntary. There was no system of taxes in place at the time, but Peter Stuyvesant went around the richest inhabitants of the city with his troops to collect contributions, in monetary or material form. I imagine the appeal to self-interest was occasionally illustrated by a show of guns when contributions were not made spontaneously.

Mannados

Today the study of philanthropy is spread over a large number of disciplines. It is not just sociologists, economists and psychologists who examine causes, consequences and correlates of philanthropy, but also scholars in public administration, political science, communication science, marketing, behavioral genetics, neurology, biology, and even psychopharmacology. Ten years ago, when Pamala Wiepking and I were writing a literature review of research on philanthropy, we gathered as many empirical research papers on philanthropy that we could find. We categorized the academic disciplines in which the research was published. The graph below displays the results of this categorization (for details, see our blog Understanding Philanthropy). The emergence of a separate field of philanthropic studies is visible, along with an increasing attention to philanthropy in economics.

After we had concluded our literature review, I detected a new classic. I would like to share this gem with you. It is an astonishing paper written by Pitirim Sorokin, a Russian sociologist who was exiled to the US in 1922. He founded the department of sociology at Harvard University in the 1930s. Before that, he conducted experiments at the University of Minnesota, and some of them examined generosity. The paper was published in German in 1928, in the Zeitschrift für Völkerpsychologie und Soziologie. It was not easy to obtain a copy of the paper. I managed to get one with the generous help of the staff at the University of Saskatchewan, where the complete works of Sorokin are archived; see http://library2.usask.ca/sorokin/. I have posted a pdf of the paper here: https://renebekkers.files.wordpress.com/2014/10/sorokin_28_full.pdf

Sorokin_28

Working with two colleagues, Sorokin asked students at the University of Minnesota how much money they were willing to donate to a fund for talented students, which would allow them to buy mathematical equipment (‘diagrams and a calculator’), and varied the severity of need and social distance to the students. The experiment showed that willingness to give declined the with the severity of need and with social distance. Students were willing to donate more for fellow students who were closer to them but needed less financial assistance.

Sorokin also gave the participants statements expressing egalitarian and justice concerns, to see whether the students acted in line with their attitudes. The attitudes were much more egalitarian than the responses in the hypothetical giving experiment. He was careful enough to note that the results of the experiment could not easily be generalized and needed replication in other samples, a critique repeated forcefully by Henrich et al. (2010). Sorokin saw his experiment as the beginning of a series of studies. However, the paper seems to have been forgotten entirely – Google Scholar mentions only 7 citations, extending to 1954. This is unfortunate. The experiment is truly groundbreaking both because of its methodology and its results. More than 8 decades later, economists are conducting experiments with dictator games that are very similar to the experiment Sorokin conducted. Perhaps this brief description brings his research back onto the stage.

References

Bekkers, R. & Wiepking, P. (2011). ‘A Literature Review of Empirical Studies of Philanthropy: Eight Mechanisms that Drive Charitable Giving’. Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, 40(5): 924-973.

Henrich, J., Heine, S.J., & Norenzayan, A. (2010). ‘The weirdest people in the world?’ Behavioral and Brain Sciences 33: 61–83.

Katz, S.N. (1999). ‘Where did the serious study of philanthropy come from, anyway?’ Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, 28: 74-82.

Sorokin, P. (1928). ‘Experimente Zur Soziologie’. Zeitschrift für Völkerpsychologie und Soziologie, 1(4): 1-10.

1 Comment

Filed under altruism, data, Europe, experiments, helping, history, Netherlands, philanthropy