Category Archives: volunteering

Introducing Mega-analysis

How to find truth in an ocean of correlations – with breakers, still waters, tidal waves, and undercurrents? In the old age of responsible research and publication, we would collect estimates reported in previous research, and compute a correlation across correlations. Those days are long gone.

In the age of rat race research and publication it became increasingly difficult to do a meta-analysis. It is a frustrating experience for anyone who has conducted one: endless searches on the Web of Science and Google Scholar to collect all published research, input the estimates in a database, find that a lot of fields are blank, email authors for zero-order correlations and other statistics they had failed to report in their publications and get very little response.

Meta-analysis is not only a frustrating experience, it is also a bad idea when results that authors do not like do not get published. A host of techniques have been developed to find and correct publication bias, but the problem that we do not know the results that do not get reported is not solved easily.

As we enter the age of open science,  we do not have to rely any longer on the far from perfect cooperation from colleagues who have moved to a different university, left academia, died, or think you’re trying to prove them wrong and destroy your career. We can simply download all the raw data and analyze them.

Enter mega-analysis: include all the data points relevant for a certain hypothesis, cluster them by original publication, date, country, or any potentially relevant property of the research design, and add the substantial predictors you find documented in the literature. The results reveal not only the underlying correlations between substantial variables, but also the differences between studies, periods, countries and design properties that affect these correlations.

The method itself is not new. In epidemiology, and Steinberg et al. (1997) labeled it ‘meta-analysis of individual patient data’. In human genetics, genome wide association studies (GWAS) by large international consortia are common examples of mega-analysis.

Mega-analysis includes the file-drawer of papers that never saw the light of day after they were put in. It also includes the universe of papers that have never been written because the results were unpublishable.

If meta-analysis gives you an estimate for the universe of published research, mega-analysis can be used to detect just how unique that universe is in the milky way. My prediction would be that correlations in published research are mostly further from zero than the same correlation in a mega-analysis.

Mega-analysis bears great promise for the social sciences. Samples for population surveys are large, which enables optimal learning from variations in sampling procedures, data collection mode, and questionnaire design. It is time for a Global Social Science Consortium that pools all of its data. As an illustration, I have started a project on the Open Science Framework that mega-analyzes generalized social trust. It is a public project: anyone can contribute. We have reached mark of 1 million observations.

The idea behind mega-analysis originated from two different projects. In the first project, Erik van Ingen and I analyzed the effects of volunteering on trust, to check if results from an analysis of the Giving in the Netherlands Panel Survey (Van Ingen & Bekkers, 2015) would replicate with data from other panel studies. We found essentially the same results in five panel studies, although subtle differences emerged in the quantative estimates. In the second project, with Arjen de Wit and colleagues from the Center for Philanthropic Studies at VU Amsterdam, we analyzed the effects of volunteering on well-being conducted as part of the EC-FP7 funded ITSSOIN study. We collected 845.733 survey responses from 154.970 different respondents in six panel studies, spanning 30 years (De Wit, Bekkers, Karamat Ali & Verkaik, 2015). We found that volunteering is associated with a 1% increase in well-being.

In these projects, the data from different studies were analyzed separately. I realized that we could learn much more if the data are pooled in one single analysis: a mega-analysis.

References

De Wit, A., Bekkers, R., Karamat Ali, D., & Verkaik, D. (2015). Welfare impacts of participation. Deliverable 3.3 of the project: “Impact of the Third Sector as Social Innovation” (ITSSOIN), European Commission – 7th Framework Programme, Brussels: European Commission, DG Research.

Van Ingen, E. & Bekkers, R. (2015). Trust Through Civic Engagement? Evidence From Five National Panel StudiesPolitical Psychology, 36 (3): 277-294.

Steinberg, K.K., Smith, S.J., Stroup, D.F., Olkin, I., Lee, N.C., Williamson, G.D. & Thacker, S.B. (1997). Comparison of Effect Estimates from a Meta-Analysis of Summary Data from Published Studies and from a Meta-Analysis Using Individual Patient Data for Ovarian Cancer Studies. American Journal of Epidemiology, 145: 917-925.

Leave a comment

Filed under data, methodology, open science, regression analysis, survey research, trends, trust, volunteering

De veerkracht van de filantropie

[*]

Deze tekst als pdf downloaden

Burgerkracht, lokale actie, de doe-democratie, de participatiesamenleving: we komen deze termen steeds vaker tegen in de politiek, de media en beleidsstukken van de overheid en adviesorganen. De termen fungeren in een fundamenteel debat over de verdeling van verantwoordelijkheid van burgers en de overheid voor het welzijn van anderen en de samenleving. Het uitgangspunt van deze stukken is de autonome, zelfredzame burger, die geen overheidsregeling nodig heeft om voor zichzelf, de eigen omgeving en de samenleving te zorgen.

Bij dit uitgangspunt past de filantropie, gedefinieerd als vrijwillige bijdragen van geld en tijd aan het algemeen nuttige doelen zoals gezondheid, cultuur, onderwijs, natuur en levensbeschouwing. Die bijdragen komen niet alleen van levende burgers, maar ook van overledenen (via nalatenschappen), van bedrijven, vermogensfondsen, en van goededoelenloterijen. In 2013 ging er in de filantropie in totaal zo’n €4,4 miljard om. In 2011 spraken het kabinet en de sector filantropie af intensiever samen te werken aan de kwaliteit van de samenleving. Door het activerende beleid doet de overheid een groter beroep op vrijwillige bijdragen in de vorm van geld en tijd en neemt de maatschappelijke betekenis van filantropie toe.

In theorie biedt voorziening van maatschappelijke doelen en collectieve arrangementen uit vrijwilligheid een voordeel boven verplichting via belasting of een andere vrijheidsbeperking. Via vrijwillige bijdragen krijgen burgers meer controle over de kwaliteit van de samenleving en kunnen ze daar ook met recht trots op zijn. Burgers dragen liever vrijwillig bij aan maatschappelijke doelen dan via een verplichte belasting of via verplichte maatschappelijke dienstverlening.

De voorkeur voor vrijwillige bijdragen is niet alleen psychologisch in de vorm van een ‘goed gevoel’. Een experiment van Harbaugh, Mayr en Burghart (2007) maakte deze voorkeur zichtbaar door middel van hersenscans van Amerikaanse vrouwen die een grotere activiteit in het ‘genotscentrum’ in de hersenen vertoonden als zij een bedrag aan een goed doel gaven dan wanneer hetzelfde bedrag namens hen door de experimentleiders werd gegeven. Er kan ook voor burgers een materieel voordeel zitten aan vrijwillige bijdragen in de vorm van vrijwilligerswerk. Er is veel onderzoek dat laat zien dat vrijwilligers gelukkiger zijn, grotere sociale netwerken hebben, langer gezond blijven en uiteindelijk langer leven dan maatschappelijk minder betrokken burgers.

Filantropie verhoogt de kwaliteit van leven omdat zij zich richt op de aanpak van maatschappelijke problemen en de realisatie van maatschappelijke idealen. Het besef groeit dat effectieve oplossingen een goede samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers vereisen. Een eenzijdige aanpak van bovenaf door een nationale overheid ligt steeds minder voor de hand. Bijdragen van burgers en bedrijven, in de vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, vrijwilligerswerk, crowdfunding en actieve burgerparticipatie zijn welkom op uiteenlopende gebieden als integratie, cultuur, zorg, veiligheid, natuurbehoud en duurzaamheid.

De aandacht voor filantropie van de overheid is een herontdekking van een rijk verleden. Een mooi historisch voorbeeld is de manier waarop volgens de Amerikaanse journalist Russell Shorto (2005) de bouw van de Walstraat in Nieuw Amsterdam werd gefinancierd. Op Wall Street in New York, waar nu het centrum van het kapitalisme is gevestigd, stond ooit een muur die de inwoners van de stad tegen de indianen, de Engelsen en de Zweden moest beschermen. Omdat er geen overheid was die belasting kon heffen werd de bouw van de wal gefinancierd met vrijwillige bijdragen van de burgers van Nieuw Amsterdam, waarbij van de meer vermogende inwoners een grotere bijdrage werd verwacht. Zij hadden ook meer te verliezen bij een inval. Latere voorbeelden, dichterbij huis, zijn het Vondelpark, de Vrije Universiteit en de grote musea in Amsterdam: voor een groot deel gefinancierd met schenkingen van vermogende particulieren.

Met het beroep op burgers keert de overheid terug naar deze tijden. De omstandigheden zijn in sommige opzichten gelijkaardig. Opnieuw is er grote welvaart in Nederland, die opnieuw zeer ongelijk verdeeld is. Er zijn echter ook grote verschillen. De vraag om vrijwillige bijdragen komt in een tijd waarin burgers gewend zijn aan een overheid die voor hen zorgt. Bovendien komt de vraag in een tijd van economische onzekerheid en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Het beroep op vrijwillige bijdragen vraagt veerkracht van burgers. De Rockefeller Foundation (2015) definieert veerkracht als de capaciteit van mensen, gemeenschappen en instituties om zich voor te bereiden op schokken en langdurige belasting, zich daar tegen te verzetten en ervan te herstellen. Veerkracht komt niet alleen tot uiting in zelfredzaamheid, maar ook in het mobiliseren van hulp en het aanboren van nieuwe hulpbronnen. Het gevoel van gemeenschap, het besef dat je met elkaar meer kunt bereiken dan alleen, en het vertrouwen in anderen helpen daar bij. Deze factoren zijn ook cruciaal voor de filantropie.

De sector filantropie is in Nederland in de afgelopen decennia niet gegroeid vanuit tegenslag en bedreiging. Integendeel. In de jaren ’90 hadden we geen last van crisis en groeide de sector als kool, nog veel harder dan de economie. De sector organiseerde en professionaliseerde zich. Er kwamen brancheverenigingen, gedragscodes, keurmerken, toezichthouders, er kwamen opleidingen en er kwam onderzoek dat de sector filantropie in kaart bracht. Die gehele ontwikkeling vond plaats in het laatste decennium van de jaren ’90 zonder dat er grote problemen waren. De filantropie is groot geworden in een tijd van voorspoed, zonder veel bemoeienis en grotendeels buiten het blikveld van de overheid. Vanuit de betrokkenheid van Nederlanders. Niet zozeer om maatschappelijke problemen op te lossen, maar ook – en misschien wel vooral – om idealen te verwezenlijken. Filantropie is de uiting bij uitstek van de veerkracht van de samenleving. Uit de filantropie van een samenleving blijkt waar burgers om geven, wat zij goede doelen vinden en hoeveel zij ervoor over hebben.

De economische crisis waarin Nederland in 2009 terecht is gekomen heeft een beroep gedaan op de veerkracht van burgers. Het zijn niet zozeer de korte termijn fluctuaties in de hoogte van inkomens, de werkloosheid of het consumentenvertrouwen die samenhangen met de lange termijn trend in het geefgedrag. Het gaat eerder om de economische zekerheid op de lange termijn: de waarde van giften van geld aan goede doelen houdt sinds 1965 gelijke tred met de ontwikkeling van de vermogens van Nederlanders. Sinds 1985 volgt de ontwikkeling in de hoogte van de giften in Nederland vrijwel exact de ontwikkeling in de hoogte van de waarde van onroerend goed.

consumptie_filantropie_onroerendgoed_08_13

Consumptieve bestedingen van huishoudens (nationaal) en totaal vermogen van huishoudens in de vorm van onroerend goed volgens het CBS en de waarde van filantropie door huishoudens volgens Geven in Nederland (niet gecorrigeerd voor inflatie)

De filantropie in Nederland lijkt minder gevoelig te zijn voor economische tegenwind dan die van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar de inkomsten voor goededoelenorganisaties flink daalden in 2008 en 2009 en daarna nauwelijks stegen. Pas in 2012 zagen de goededoelenorganisaties in de VS hun inkomsten weer toenemen. In Nederland bleef het recessie-effect uit tot 2011. Bovendien was het effect beperkt. We zien nu in 2013 weer een stijging van de giften. Dit is opmerkelijk omdat de waarde van onroerend goed in 2013 nog daalde. Ook de betrokkenheid van bedrijven bij goede doelen blijft hoog, ondanks de crisis. Het totaalbedrag aan giften en sponsoring is vrijwel gelijk gebleven.

Ook het overheidsbeleid van de afgelopen jaren heeft voor terugslag gezorgd. De overheid heeft taken gedecentraliseerd naar gemeenten, waardoor een groter beroep wordt gedaan op burgers om voor henzelf en hun naasten te zorgen. In de nieuwe cijfers over vrijwilligerswerk zien we een achteruitgang. In 2010 deed nog 41% vrijwilligerswerk, in 2014 is dat gedaald naar 37%. Ook het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn is gedaald, naar 18 uur per maand. In 2012 was dit nog 21 uur. We zien wel veerkracht onder de loyale groep vrijwilligers, die juist actiever is geworden. Er is echter een grens aan de inzet van de trouwe vrijwilliger. Het toenemende belang dat de overheid in de participatiesamenleving aan mantelzorg en informele hulp hecht vormt op termijn een bedreiging voor het vrijwilligerswerk. We zien in het Geven in Nederland onderzoek dat informele hulp, mantelzorg en vrijwilligerswerk communicerende vaten zijn. Het hemd is dan nader dan de rok. Mensen stoppen vaker met vrijwilligerswerk als ze mantelzorgtaken erbij krijgen.

De overheid heeft bezuinigd op subsidies voor specifieke goededoelenorganisaties. Met name in de cultuursector hebben instellingen lastige keuzes moeten maken. Door de bezuinigingen op culturele instellingen is een beroep gedaan op de veerkracht in de sector cultuur. We zien hier grote verschillen tussen instellingen. De grotere musea van ons land zijn met behoud van subsidie in staat geweest om ook nog meer geld uit de markt te halen. Voor veel andere instellingen staan de inkomsten door bezuinigingen onder druk en zij lijken nog niet goed in staat meer inkomsten uit fondsenwerving en commerciële inkomsten te halen. Helaas blijkt ook bij de gevers de veerkracht beperkt te zijn. Vooralsnog zijn de bezuinigingen op culturele instellingen veel groter dan de toename in de giften aan culturele instellingen. Vermogende gevers zijn niet van plan meer te gaan geven aan cultuur.

De komende jaren zal duidelijk worden of vrijwillige bijdragen voldoende zijn om de schokken op te vangen die de economische crisis en de bezuinigingen door de overheid hebben veroorzaakt.  Zijn we als samenleving in staat deze betrokkenheid te mobiliseren? De aantrekkingskracht van het werk van goededoelenorganisaties is daarbij niet voldoende. Vermogende particulieren verlangen een meer zakelijke manier van werken dan gebruikelijk is bij veel goede doelen en hebben behoefte aan nieuwe financiële instrumenten die zakelijke investeringen in de kwaliteit van de samenleving mogelijk maken. Denk daarbij aan crowdfunding, social impact bonds, en ‘venture philanthropy’. De lage rentestand maken deze alternatieve vormen van investeren aantrekkelijker. In de geest van het convenant uit 2011 zou de sector filantropie in overleg met de overheid en het bedrijfsleven deze instrumenten verder moeten ontwikkelen.

Literatuur

Bekkers, R., Schuyt, T.N.M. & Gouwenberg, B.M. (2015, Red). Geven in Nederland 2015: Giften, Nalatenschappen, Sponsoring en Vrijwilligerswerk. Amsterdam: Reed Business.

Harbaugh, W.T. , Mayr , U., & Burghart, D.R. (2007). Neural responses to taxation and voluntary giving reveal motives for charitable donations. Science, 316: 1622-1625.

Rockefeller Foundation (2015). Resilience. https://www.rockefellerfoundation.org/our-work/topics/resilience/

Shorto, R. (2005). The Island At the Center of the World. New York: Random House/Vintage.

[*] Deze bijdrage is deels gebaseerd op gegevens uit Geven in Nederland 2015 (Bekkers, Schuyt & Gouwenberg, 2015).

1 Comment

Filed under altruism, Center for Philanthropic Studies, charitable organizations, economics, foundations, household giving, Netherlands, philanthropy, taxes, Uncategorized, volunteering

Vrijwilligerswerk in Nederland neemt af

Deze post als pdf

Het percentage van de Nederlanders dat vrijwilligerswerk doet is de afgelopen jaren afgenomen. In 2010 deed nog 41% vrijwilligerswerk, in 2014 is dat gedaald naar 37%. Ook het aantal uren dat vrijwilligers actief zijn is gedaald, naar 18 uur per maand. In 2012 was dit nog 21 uur. Dit blijkt uit uit het onderzoek Geven in Nederland 2015, dat op 23 april op de Dag van de Filantropie verschijnt. Het onderzoek is uitgevoerd door de Werkgroep Filantropische Studies van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Minder uren

Het meest actief zijn vrijwilligers die trouw zijn aan de organisatie waar zij zich voor inzetten. Zij besteden bijna 24 uur per maand aan vrijwilligerswerk. Nieuwe vrijwilligers en vrijwilligers die van club gewisseld zijn, zetten zich het minst aantal uren in: zij besteedden in 2014 gemiddeld 15 en 10 uur per maand. De uren die nieuwe vrijwilligers besteden kunnen de inzet vrijwilligers die gestopt zijn niet helemaal compenseren: zij zetten zich 18 uur per maand in (zie figuur).   uren_vrw_GIN2015Motieven

De motieven voor vrijwilligerswerk zijn niet sterk veranderd. Nog steeds zegt een meerderheid van de vrijwilligers dat zij het belangrijk vinden om anderen te helpen en via vrijwilligerswerk nieuwe vaardigheden leren. Wel is het percentage van de vrijwilligers dat zegt dat vrijwilligerswerk goed staat op het CV toegenomen, van 29% in 2002 naar 36% in 2014. De daling van de inzet in vrijwilligerswerk bedreigt de kansen voor de participatiesamenleving. De overheid hoopt juist dat burgers zich vaker actief inzetten voor de samenleving. De toenemende behoefte aan mantelzorg zal de deelname aan vrijwilligerswerk in de toekomst verder onder druk zetten.

Leave a comment

Filed under Center for Philanthropic Studies, helping, volunteering

Conditional Review Acceptance Policy

Here’s CRAP: a new policy regarding review requests I’ve decided to try out. CRAP means Conditional Review Acceptance Policy, the new default response to review requests. I will perform review only if the journal agrees to publish the article in a Free Open Access mode – making the article publicly available, without charging any fees for it from universities, authors, or readers.

Here’s the story behind CRAP. If you’re an academic, you will recognize the pattern: you get an ‘invitation’ or a ‘request’ to review a paper submitted to the journal because ‘you have been identified as an expert on the topic’. If you’re serious about the job, you easily spend half a day reading the article, thinking about the innovations in the research questions, the consistency of the hypotheses, wondering why previous research was ignored, vetting the reliability and the validity of the data and methods used, checking the tables, leaving aside the errors in references which the author copied from a previously published article. As a reviewer accepting the task to review a paper you sometimes get a 25% discount on the hugely overpriced books by the publisher or access to journal articles which your university library already paid for.

You accept the invitation because you know the editor personally, you want to help improve science, want to facilitate progress in the field, because by refusing you will miss an opportunity to influence the direction your field is taking or simply to block rubbish from being published. *Or, if you have less laudable objectives, because you want others to know and cite your work. I confess I have fallen prey to this temptation myself.* But it does not end after the job is done. There’s a good chance you will get the article back after the authors revised it, and you are invited again to check whether the authors have done a good job incorporating your comments. In the mean time, you’ve received seven more review requests. I could fill my entire week reviewing papers if I accepted all invitations I receive.

In the world outside academia complying with a request means doing people a favor, which at some point in the future you can count on to be returned. Not so in academia. The favors that we academics are doing are used by publishers to make profit, by selling the journals we work for as unpaid volunteers to university libraries. The journal prices that publishers are ridiculously high but libraries have no choice but to accept them because they cannnot afford to miss the journal in its collection. And ultimately we keep up the system by continuing to accept review requests. Academic publishers exploit scholars asking for reviews and giving nothing in return.

If you’re not an academic you may find this all very strange. When I told my parents in 2003 that my first article was accepted for an international journal they asked: “How much did they pay you for the article?” Journalists and free lance writers for magazines may get paid for the content they are producing, but not academics. The content we hope to help produce as reviewers is a public good: valid and reliable knowledge. Falsity should be avoided at all cost; the truth, the truth, and nothing but the truth should be published. The production of this public good is facilitated by public money. But the reviews we provide are not public goods. They are private goods. They are typically anonymous, and not shared publicly. We send them to the editorial assistant, who sends them to the authors (and sometimes, ‘as a courtesy’, to the other volunteer reviewers). The final product is again a private good, sold by the publisher. Collectively, our favors are creating a public bad: increasing costs for journal subscriptions.

What can we do about this? Should the volunteer work we do be monetized? Should we go on strike to ask for an adequate wage? According to the profitability of the journal perhaps? So that the higher the profit the publisher makes on a journal, the higher the compensation for reviewers? This would do nothing to reduce the public bad. Instead, I think we should move into Free Open Access publishing. The public nature of knowledge, the production of which is made possible by public funding, should be accessible for the public. It is fair that some compensation is given to the journal’s publisher for the costs they will have to incur to copy-edit the article and to host the electronic manuscript submission system. These costs are relatively low. I am leaving the number crunching for some other time or some other geek, but my hunch is that if we would monetize our volunteer work as reviewers this would be enough to pay for the publication of one article.

Academic publishers are not stupid. They see the push towards open access coming, and are now actively offering open access publication in their journals. But everything comes at a price. So they are charging authors (i.e., authors’ funders) fees for open access publication, ranging from several hundred to thousands of dollars. Obviously, this business model is quite profitable – otherwise commercial publishers would not adopt it. Thugs and thieves are abusing the fee-based open access model by creating worthless journals that will publish any article, cashing the fees and to make a profit. The more respectable publishers are now negotiating with universities and public funders of science about a better model, circumventing the authors. Undoubtedly the starting point for such a model is that the academic publication industry remains profitable. In all of this, the volunteer work of reviewers is still the backbone of high quality journal publications. And it is still not compensated.

So my plea to fellow academics is simple. We should give CRAP as our new default response. Agree to review if the publisher agrees to publish the article in Free Open Access. It may be the only way to force Free Open Access into existence. I will keep you updated on the score.

Update: 14 October 2014
Invited: 8
Response: 4 Declined (Journal of Personality and Social Psychology, Sociology of Religion, Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, Science and Public Policy; Qualitative Sociology); 1 offered Green Access (Public Management Review); 2 responded review was no longer needed (Journal for the Scientific Study of Religion and Body & Society).

One managing editor wrote: “Thank you for offering to review this manuscript. Unfortunately, our publisher has not yet approved free Open Source. Those of us who actually work for the journal instead of the publishing institution would gladly provide open access to articles if it was up to us. These kinds of decisions are not left up to our discretion however. I greatly respect your stance and hope it is one that will eventually lead to greater access to academic publications in the future.”

In a message titled “Your assignment”, the associate editor of JPSP wrote:  “I appreciate your willingness to review manuscript #[omitted] for Journal of Personality and Social Psychology:  Personality Processes and Individual Differences. As it turns out, your review will not be needed for me to make a decision, so please do not complete your review. ”

The message from the editor of Sociology of Religion, probably composed by an Oxford University Press employee, says: “Sociology of Religion does not have an author-pays Open Access option in place, which would require the author or the body that funded the research to pay an Author Processing Charge—there is a range of APCs, beginning at $1,800. This is the only system currently in place at Oxford University Press for optional Open Access (some journals, of course, are entirely Open Access by design, generally with significant society sponsorship). The request and APC would need to come from the author, not the manuscript reviewer. Moreover, if an author requires OA to comply with requirements from his or her funding body, then the author submits it to a journal that has a OA option. Also, all authors of published articles are given a toll-free URL to post wherever they like—this allows the final version to be read without payment by anyone using that link, and importantly, counts toward online usage statistics. While this isn’t exactly the same as OA, it does make it freely available through that link as it is posted or distributed by the author.”

This is an interesting response from OUP. The question aside why the ‘Author Processing Charge’ must be as high as $1,800, if three reviewers each charge $600 for the volunteer work they provide for the journal by reviewing the paper, the APC would be compensated. As a courtesy to reviewers, OUP could waive the APC. Reviewers could wave the review fee as a courtesy to OUP. With wallets closed everybody benefits.

The editor of Science and Public Policy, another OUP journal, responded: “unfortunately at present an unconditional policy for open access publishing is not in place for our journal, rather the following policy applies, which is not in line with your conditions, according to which Authors may upload their accepted manuscript PDF to an institutional and/or centrally organized repository, provided that public availability is delayed until 24 months after first online publication in the journal.”

The editor of the Journal for the Scientific Study of Religion wrote in what seems to be a standard reply: “It has become apparent that I will not need you to review the manuscript at this time. I hope you will be able to review other manuscripts for JSSR in the near future.”

In contrast, the editorial assistant for Body & Society wrote: “We’re just writing to let you know that we no longer require you to review this paper. Enough reviews have come in for the editorial board to be able to make a decision. Thank you for having agreed to review, and we apologise for any inconvenience caused.”

*HT to @dwcorne for identifying this less benign motivation.

10 Comments

Filed under incentives, volunteering

Lunch Talk: “Generalized Trust Through Civic Engagement? Evidence from Five National Panel Studies”

Does civic engagement breed trust? According to a popular version of social capital theory, civic engagement should produce generalized trust among citizens. In a new paper accepted for publication in Political Psychology, Erik van Ingen (Tilburg University) and I put this theory to the test by examining the causal connection between civic engagement and generalized trust using multiple methods and multiple (prospective) panel datasets. We found participants to be more trusting. This was mostly likely caused by selection effects: the causal effects of civic engagement on trust were very small or non-significant. In the cases where small causal effects were found, they turned out not to last. We found no differences across types of organizations and only minor variations across countries.

At the PARIS colloquium of the Department of Sociology at VU University on November 12, 2013 (Room Z531, 13.00-14.00), I will not just be talking about this paper published in Political Behavior and about the new paper forthcoming in Political Psychology (here is the prepublication version). In addition to a substantive story about a research project there is also a story about the process of getting a paper accepted with a null-finding that goes against received wisdom. This story is quite informative about the publication factory that we are all in.

Leave a comment

Filed under data, psychology, survey research, trust, volunteering

Update: Giving in the Netherlands Panel Survey User Manual

A new version of the User Manual for the Giving in the Netherlands Panel Survey is now available: version 2.2.

The GINPS12 questionnaire is here (in Dutch).

Leave a comment

Filed under data, empathy, experiments, helping, household giving, methodology, philanthropy, principle of care, survey research, trends, trust, volunteering, wealth

Tien Filantropie Trends

  1. Nalatenschappen: goededoelenorganisaties ontvangen steeds meer inkomsten uit nalatenschappen, naar verwachting €86 miljard tot 2059.
  2. Evenementen: goededoelenorganisaties ontvangen steeds meer inkomsten uit evenementen zoals Alpe d’Huzes waar enthousiaste vrijwilligers sponsorgelden voor werven.
  3. Werknemersvrijwilligerswerk: bedrijven sponsoren steeds minder direct met geld, en sturen hun medewerkers liever op maatschappelijk verantwoord teamuitje zoals NL Doet.
  4. Vertrouwen onder druk: het traditioneel hoge niveau van vertrouwen in goededoelenorganisaties daalt structureel en lijdt incidenteel verlies door ophef over salarissen.
  5. Lokalisering: lokale nonprofit organisaties zoals musea en ziekenhuizen gaan fondsenwerven, internationale hulporganisaties ontvangen steeds minder.
  6. Dynamiek in geefgedrag: donateurs zijn steeds minder trouw aan goededoelenorganisaties en doen vaker incidentele giften zoals bij sponsoracties.
  7. Druk op het waterbed: de overheid bezuinigt en probeert burgers meer bij te laten bijdragen, onder meer door fiscale maatregelen zoals de Geefwet.
  8. Meer transparantie:  goededoelenorganisaties in het ANBI-register worden per 1 januari 2014 verplicht openheid te geven over hun financiën en beleid.
  9. Doe-het-zelf filantropie met crowdfunding: steeds vaker werven mensen geld voor hun eigen goede doel via sociale media en geefplatforms zoals Voordekunst.nl
  10. Mega-donors: terwijl de giften van het mediane huishouden afnemen, geven vermogende Nederlanders steeds meer.

1 Comment

Filed under charitable organizations, corporate social responsibility, crowdfunding, foundations, household giving, law, politics, taxes, trends, volunteering, wealth